Met ingang van dit nummer starten we een nieuwe serie artikelen, gericht op een beter begrip van waardenwerk als vorm van praktisch-professioneel handelen. We doen dat aan de hand van ‘waarderende pro elen’ van organisaties en professionals daarbinnen, die in onze ogen inspirerend en leerzaam worstelen met het in praktijk brengen van waardenwerk.
Bildung als inspiratiebron
Het begrip Bildung vormt op dit moment voor velen in het Hoger Onderwijs opnieuw een inspiratiebron voor hervorming van het onderwijs. Dat geldt in het bijzonder voor de lerarenopleidingen, die zelfs door minister Bussemaker in 2015 werden opgeroepen meer aan Bildung te doen. Maar ook in andere HBO opleidingen – ik praat vanuit mijn ervaringen bij sociale opleidingen – is er de roep om meer Bildung om zo meer werk te maken van persoonlijke vorming en ontplooiing van de student. De aandacht voor Bildung is een reactie op een al lang lopende ontwikkeling waarin het onderwijs steeds meer bedrijfsmatig benaderd wordt. Door de voorstanders van Bildung wordt benadrukt dat het onderwijs een pedagogische opdracht heeft en dat het in het onderwijs dan ook niet alleen gaat om kwalificatie of Ausbildung, maar ook om waardenoverdracht en socialisatie, en vooral ook om persoonsvorming, om subjectivering in de woorden van Biesta (2008).
Toen ik in 1985 begon aan mijn studie psychologie aan de Rijksuniversiteit Leiden, waren mijn verwachtingen hooggespannen. In de laatste jaren van mijn middelbare school had ik deelgenomen aan psychologielessen die voor lief hebbers werden aangeboden. In die cursus passeerden de grote stromingen de revue: Freud, met zijn duistere beeld van de menselijke geest, Rogers, daarnaast en tegenover, met zijn optimistische kijk op de menselijke mogelijkheden, en Skinner ook, met een bijna totalitaire gedragstechnologie. Ik was geboeid.
Ter gelegenheid van mijn afscheid als hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek richt ik mij in deze rede op de belangrijkste inhoudelijke inspiratiebron van deze jonge universiteit: het humanisme. Zoals de titel van mijn rede aangeeft, wil ik een pleidooi houden voor een radicalisering van het humanisme.
In het licht van de grote vragen waar wij voor staan, zal ik u een nieuwe invulling voorleggen van humaniteit en menselijkheid, waarin humaniteit uitgebreid wordt voorbij de grenzen van de menselijke soort.
Het Humanistisch Verbond omschrijft op haar website het ‘bevorderen van menselijke waardigheid ofwel humaniteit’ als het hoogste ideaal van een eigentijds humanisme. Humanisme heeft daarmee zowel een ethische als een morele inzet.
In onze tijd dringt bij een groeiend aantal mensen het besef door dat een goed leven voor mensen tot stand gebracht wordt ten koste van kansen op een goed leven voor heel veel andere soorten. Niet alleen de bomen, vissen en insecten die wij het leven steeds zuurder maken, maar ook de koeien, varkens en kippen die wij industrieel vetmesten, opsluiten en consumeren. Voor humanisten komt daar de pijnlijke constatering bij dat het moderne humanisme een centrale rol heeft gespeeld in de culturele legitimering van de menselijke onverschilligheid voor het goede leven van de meeste andere levensvormen op deze planeet. Er zijn weliswaar belangrijke tegenstemmen in eigen kring, in ons land ondermeer Wouter Achterberg, Hans Achterhuis, Henk Manschot, Michiel Korthals en Fernando Suarez-Müller.1 Maar zij roeien tegen de hoofdstroom van het moderne humanisme in. Dat speelt nog steeds een centrale rol in de legitimering van een verticale verhouding tussen mensen en andere levensvormen. Ik denk dat die verticale verhouding onhoudbaar is en ik denk dat de expliciete
In naam van het humanisme zelf dan, kunnen wij ons hier laten leiden door het verzet tegen verticale sociale verhoudingen en alle daarmee verbonden vormen van ongelijkheid en door het streven naar meer horizontale relaties die het humanisme van het begin af aan kenmerken. Zowel binnen tradities als Ubuntu, het Taoisme en het Boeddhisme als in het vroege humanisme in de Griekse stadstaten, zijn belangrijke wegwijzers te vinden die in de richting wijzen van meer horizontale verhoudingen tussen mensen, in het teken van de waardigheid die alle mensen als mens toekomt. Tegenover het gezag van de goden en de machtsaanspraken van de aristocratie, plaatsen de Griekse filosofen het vermogen van alle burgers om zelfstandig na te denken en in voortgaande dialoog de inhoud van een goed leven te bepalen en op grond daarvan bij te dragen aan het welvaren van de polis. Deze horizontaliserende inzet wordt in de loop van de ontwikkeling van het humanisme steeds verder uitgebreid. Eerst in de gedaante van het kosmopolitisme, waarin de polis niet langer als de hoogste autoriteit erkend wordt en aan alle mensen een eigen waardigheid wordt toegekend. Vervolgens in de gedaante van politieke rechten voor alle burgers en de uitbreiding van de rechtvaardige verdeling van hulpbronnen voor een goed leven naar alle mensen op aarde. En tenslotte in de gedaante van universele mensenrechten, zowel in economisch als in sociaal en cultureel opzicht. Ik beschouw de formule van Ricoeur als een geslaagde samenballing van deze voortgaande horizontalisering.
De zorgzame wederkerigheid op het niveau van face-to-face relaties, waarvoor de verhouding tussen goede vrienden vanaf Aristoteles het paradigmatische voorbeeld biedt, wordt door Ricoeur als de voedingsbodem gezien voor de betrokkenheid op een rechtvaardige, horizontale inrichting van sociaaleconomische verhoudingen, waarbinnen alle mensen toegang hebben tot de noodzakelijke hulpbronnen voor een goed leven. De persoonlijke bestaansethiek, in de vorm van reflexief bewerkte ervaringen met de inhoud van een goed en zinvol leven, vormt de voedingsbodem voor de morele betrokkenheid op het welvaren van anderen en het werken aan rechtvaardige instituties in het verlengde daarvan.
De wintereditie van Waardenwerk is zoals gebruikelijk een dubbelnummer met de omvang van een flink boekwerk. Een aanzienlijk deel van dit nummer bestaat uit bijdragen aan de afscheidsconferentie van Harry Kunneman als hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek op 5 oktober van dit jaar, met speciale aandacht voor het boek dat bij deze gelegenheid werd gepresenteerd: Amor complexitatis, deel 2 van ‘Bouwstenen voor een kritisch humanisme’.
Deze bijdrage heeft zijn oorsprong in een sessie met Martien Schreurs op het afscheid van Harry Kunneman. Harry had ons gevraagd om in gesprek te gaan over Bildung. Toen Martien en ik overlegden over een mogelijke invulling, stuurde ik hem een beknopte tekst van mijn hand die kort daarvoor in een speciaal nummer over Bildung van het tijdschrift Van Twaalf tot Achttien was verschenen onder de titel ‘Persoonsvorming in het onderwijs: Kan dat eigenlijk wel en moet het eigenlijk wel?’ De tekst, die ik hieronder grotendeels ongewijzigd overneem, maar met een inleiding en een uitleiding, was bedoeld als een kritiek op de idee van Bildung en een pleidooi voor een heel andere insteek met betrekking tot de vorming van de persoon in het onderwijs, namelijk een gesitueerd in de traditie van Erziehung.
Mede dankzij Jet Bussemaker, die in de lente van het jaar 2015 een oproep deed aan alle scholen om zich met Bildung bezig te houden, is Bildung een kwestie geworden waarover nog volop discussie woedt in de media.
Deze discussie gaat mij aan het hart, maar tegelijk bekruipt mij al van begin af aan het onbehaaglijke gevoel dat hier sprake is van een hype die over niet al te lange tijd zal overwaaien.
Wat hierbij een rol speelt is dat ‘Bildung’ een oriënterend begrip is dat moeilijk gedefinieerd – laat staan geoperationaliseerd – kan worden. Vermoedelijk is dit ook de reden waarom ‘Bildung’ in het verleden nooit echt weerklank heeft gevonden onder onderwijswetenschappers die zoeken naar bruikbare methodieken en empirische toetsing. De oproep van Bussemaker is echter van groot belang. Deze wereld die telkens verandert en waarin geen absolute zekerheden bestaan, vraagt om ‘gebildete’ mensen. Hoe kunnen wij voorkomen dat Bildung aan zijn eigen vaagheid te gronde gaat?