Waardenwerk 2026 105

Waardenwerk 2026 105

Omschrijving

2 Redactioneel Waardenwerk 105 • Govert de Vrieze

Symposium Wij/Zij 5 juni 2026
8 In gesprek met Jaap Wijkstra • Marcel de Rooij
17 Naar een relationele herijking van het humanisme • Harry Kunneman
30 Reactie op Wij en Zij van Jaap Wijkstra • Maxim Februari

Ecohumanisme
34 Compostmodernisme in het voedselbos • Elize de Mul

Waardevolle praktijken (19)
48 Interview met Arjan Keizer en Wouter Lut, oprichters van ‘Medewerkers voor onze
Toekomst’ • Antoinette Bolscher, Marcel de Rooij

Ervaringsdeskundigheid
58 Tussen weten en niet-weten: ervaringskennis in de praktijk van mentaliseren • Simona Karbouniaris

Column
64 Pensioenwerk • Mieke Moor

Onderwijs
66 Het werk sprak – pedagogisch ont-werpen en ont-vouwen • Jelle Ris
81 Onderwijs in het Anthropoceen: wat kan een verdiept humanisme antwoorden • Jelle Ris

In memoriam Edgar Morin
87 De relatie veranderen tussen mens en natuur is nog maar het begin • Edgar Morin
90 Het Planetaire Existentialisme van Edgar Morin. Van Humanisme naar Ecohumanisme • Fernando Suárez Müller

Column - Pensioenwerk

Column - Pensioenwerk

Het was op een vroege maandagochtend, dat ik op het station wachtte op de trein naar Nijmegen, waar ik een week lang colleges zou volgen over Mystiek van het alledaagse. Om mij heen stonden allemaal mensen die overduidelijk  aar hun werk gingen en hoewel dat ook voor mij gold had ik met mijn rugzak en gemakkelijke kleding toch zomaar kunnen worden aangezien voor iemand die op vakantie ging – en dat gebeurde later op de dag ook, toen ik bij mijn pension aankwam 

‘Ah, u komt hier om lekker te wandelen?’. De trein had vertraging en ik drentelde wat rond op het perron en dacht aan een gesprek met vrienden in het afgelopen weekend over het toenemend aantal pensioengerechtigden om ons heen. Hoewel dat voor ons alle vier nog niet aan de orde was vroegen wij ons wel af of we daarnaar verlangden of niet? Dat was voor mij een goeie gelegenheid om eens te onderzoeken waar mijn wrevel over het fenomeen pensioen vandaan kwam. Zo had ik mij die zaterdagochtend nog opgewonden over iemand in de NRC-rubriek ‘Spitsuur’ die zei dat hij ‘waarschijnlijk nooit écht met pensioen zou gaan, omdat hij altijd op een of andere manier een bijdrage zou willen blijven leveren aan de maatschappij’, terwijl het volgens mij in zijn huidige werk om weinig anders ging dan (veel) geld verdienen (‘met mooie dingen’). Misschien is mijn wrevel vooral ongemak. Ongemak over de luxe om na een leven van vervullend werk te hebben gehad, want dat is voor de meeste mensen in mijn bubbel het gelukkige geval, vrij te zijn mooie en maatschappelijke dingen te doen. 
Want waren we niet al die tijd al vrij? Voor mijzelf geldt in ieder geval dat, behalve de periode dat ik als verpleegkundige werkte – ik weet nog goed hoe intens moe ik kon zijn als ik na een dienst terugfietste naar huis – ik eigenlijk nauwelijks de ervaring heb dat mijn werk me teveel kost, dus ik hóef helemaal niet met pensioen. En nee, dit is geen uitspraak van iemand die de ouderdom ontkent (ik verlang juist naar de ouderdom), en ook niet van een workaholic (ik ben juist van de alcohol afgestapt), maar van iemand die van de vraag van wat werk eigenlijk is haar werk heeft gemaakt. En onder meer daarvoor zat ik weer als een student in de collegebanken.

Het ging de hele week over de 15e-eeuwse Nicolaas van Cusa die vooral bekend staat als mysticus, maar eigenlijk ‘van alles was’: filosoof en theoloog, maar ook wiskundige, kerkhervormer, jurist en diplomaat. Zijn werk was zijn leven en hij is nooit met pensioen gegaan en ‘in het harnas gestorven’. Nu wil ik zeer zeker niet de waarde betwisten van een wet die het mogelijk maakt om op een bepaald moment te kunnen stoppen met werk dat (te)veel heeft gevraagd – ik denk bijvoorbeeld aan mijn opa die zijn leven lang zwoegde in zijn tuinderij en na zijn pensioen nooit meer in de zon wilde zitten – waar het mij om wel om gaat is dat wij onszelf als mensheid in een situatie hebben gebracht waarin rust iets is dat ná het werk komt, in plaats van erín. Dit is natuurlijk een hele lange geschiedenis die zich uitspreidt van een oorspronkelijk autarkisch bestaan naar een vrijwel volledig geïndustrialiseerde samenleving. 
Hierin is ‘werk’, dat Hannah Arendt beschrijft als het vermogen van elk mens om vanuit wie hij of zij is werkelijk iets tot stand te brengen, veelal de trekken heeft gekregen van ‘arbeid’. Arbeid (labor) is veel mechanischer van aard, minder (in)gericht op de persoonlijke ontwikkeling en meer op efficiency en nut – en ja dat geldt inmiddels dus ook voor al die beroepen waarin de eigen creativiteit de bron zou moeten zijn in plaats van de al te bepalende weten regelgeving. En in díe ontstane situatie is het logisch om het verschil tussen inspanning en ontspanning óók bij wet te regelen, maar ondertussen dreigen we te vergeten dat leven en werken geen twee verschillende dingen hoeven te zijn.

Meer info
Gratis
Compostmodernisme in het voedselbos

Compostmodernisme in het voedselbos

In de afgelopen jaren verrichtte Elize de Mul filosofisch veldonderzoek naar mensnatuurrelaties in ‘romantische’ (niet primair op productie gerichte) voedselbossen. Haar onderzoek bestond daarnaast uit een autoetnografisch onderzoek: ze volgde twee opleidingen tot voedselbosdesigner en legde een eigen stadsvoedselbosje aan in haar tuin. In deze experimentele ruimtes, waarin alternatieve vormen van omgang met ‘de natuur’ zowel fysiek als denkbeeldig vorm kunnen krijgen, herkent zij tekens van een ontluikend ‘compostmodernisme’. In wat volgt dwalen we samen rondom het thema van compost als alternatief wereld- en mensbeeld en onderzoeken we of het zo ook handelingsperspectief kan bieden in een snel veranderende wereld.

Welkom! Ga even zitten op die boomstam daar 
Heb je je goede wandelschoenen al aan? We gaan een eind lopen. Op het programma staat een verkenning van ‘compost’ als grondmetafoor voor onze tijd. Zweverig? Nee, dat is het juist niet! Compost kan ons als ‘aardend’ grondbegrip helpen als levend wezen te landen tussen al die andere levende en niet-levende dingen met wie we samen landschappen creëren (Kunneman 2025, 106). Die wandelschoenen waren voor mij eerst ook even wennen hoor, vergroeid met boekenkast en scherm. Al begrijp ik van veel jonge natuurwetenschappers in de dop dat ze zelfs bij hen niet op de leermiddelenlijst staan. Dat is schrikken, want we hebben ze toch echt nodig als we willen leren landen. Waren we daar nu maar eerder van doordrongen geweest! Dat ik vandaag ook denkfiguren in mijn rugzak meedraag, is de aard van dit geesteswetenschappelijke beestje. Ik verzet daarmee disciplinair-specifiek nuttig werk. Net als al die andere eco-denkers in de humanities/humusities die afgelopen eeuw steeds dringender hebben betoogd dat we de culturele kant van de polycrisis waar we voor staan niet kunnen negeren. Wat wij mensdieren doen in relatie tot het levende landschap waar we deel van
uitmaken, de wijze waarop wij de wereld mede-vormen, hangt samen met de wijzen waarop we over haar denken en de rol die we onszelf daarbij toebedelen (Bateson 1987). Maar hoe kunnen we, om denkers als Anna Lowenhaupt Tsing en Donna Haraway te parafraseren, beter leren met elkaar te leven en sterven op een beschadigde planeet (Haraway 2016; Kirksey, Shapiro, & Brodine 2013; Tsing, Swanson, Gan, & Bubandt 2017; Tsing 2014, 2015)?

Het afgelopen decennium heb ik mij verdiept in wat ik bij gebrek aan een beter woord even ‘natuur’ noem; al die krioelende, etende, groeiende, poepende, stervende, evoluerende wezens – mens incluis – en hun fysieke leefomgeving. Ik heb gedwaald door natuurgebieden, bossen, tuinen, voedselbossen en ‘oerwouden’. Ik heb er gemulcht, gesnoeid, gegeten, geleerd, geplant en geslapen. Ik ben natgeregend en gegeten en doorboord door teken, bloedzuigers, oogstmijten, plantenstekels en muggen. En gaandeweg merkte ik: al die wezens bevolken en vormen ook mijn denken steeds meer. Vandaag verkennen we zo’n ingeving die werd gevoed door zwarte nagelranden en kauwende, onzichtbare beestjes: het idee dat ‘compost’ een passend denkfiguur voor onze tijd is. Wat ik ‘compostmodernisme’ noem is als denk- en maakbeweging al in toenemende mate zichtbaar in de westerse wereld. Je zou het de eerste tekenen van een verschuiving van wereldbeeld(en) kunnen noemen. Omdat compostmodernisme een manier van denken, kijken en doen zal blijken die stevig geworteld is in de broeierige levende landschappen waarin zij beweegt en waarop zij reflecteert, nodig ik je allereerst uit in een bos in de buurt van Ede-Wageningen. 

De noodkreet van de lariks
Op een zonnige dag in april 2023 wroet ik in de bodem van Het Voedselrijk, een voedselbos- in-wording in een al bestaand naaldbomenbos. Om mij heen doen elf andere deelnemers van de voedselbosontwerpcursus van Natuur en Milieu Gelderland hetzelfde. In onze eerste les van afgelopen maand maakten we al kennis met ‘voedselbossen’. Deze landschapsvorm maakt de moderne grenzen tussen natuur en (agri)cultuur poreus: het is bos, landbouw en parktuin inéén. Het combineren van land- en bosbouwsystemen gaat in tropische klimaatgebieden ver terug, maar is in ons gematigde klimaat een recenter fenomeen, gevoed door zorgen over bodemuitputting en biodiversiteitsverlies. De ‘bostuin’ van de Britse boer Robert Hart en zijn voedselbosboeken in de jaren zeventig markeerden de snelle opkomst van gematigde voedselbossen. 
1 In Nederland kreeg de beweging na 2010 echt momentum dankzij pioniersprojecten als Wouter van Ecks voedselbos Ketelbroek. Inmiddels telt Nederland honderden kleine en grote voedselbosprojecten. Voedselbossen zijn polycultureel: bomen, struiken, kruiden, knollen, kruipers en klimmers delen hetzelfde landschap. Anders dan traditionele vormen van landbouw die ieder jaar opnieuw een kale akker opstarten, bestaan voedselbossen uit blijvende en meerjarige soorten. Daarmee zijn ze een van de verschijningsvormen van ‘permacultuur’: een designfilosofie die uitgaat van het zelfvoorzienende karakter van natuurlijke systemen en daarbij kenmerken van natuurlijke ecosystemen inzet om ‘samen te werken’ met de natuur.

Meer info
€ 3,90
De relatie veranderen tussen mens en natuur is nog maar het begin

De relatie veranderen tussen mens en natuur is nog maar het begin

Het succes van de Groenen in Frankrijk bij de Europese verkiezingen mag niet worden overschat, maar ook niet worden onderschat. Het mag niet worden overschat omdat het deels het gevolg is van het falen van de Socialistische Partij, en van de geringe geloofwaardigheid van de MoDem2 en de kleine linkse partijen. Het mag niet worden onderschat omdat dit ook blijk geeft van de politieke vooruitgang van het ecologische bewustzijn in ons land.

Wat echter nog steeds tekortschiet, is de diepere relatie tussen politiek en ecologie. Zeker, Daniel Cohn-Bendit3 pleit terecht voor een politieke ecologie. Maar het volstaat niet om de politiek in de ecologie te brengen; men moet ook de ecologie in de politiek brengen. Immers, vallen kwesties als rechtvaardigheid, de staat, gelijkheid en sociale verhoudingen doorgaans nog buiten het bereik van de ecologie. Een politiek die de ecologie niet omvat, zou een verarming zijn, maar een politiek die zich tot de ecologie beperkt, zou eveneens een verarming zijn.

De ecologie heeft de verdienste ons ertoe aan te zetten om onze manier van denken en handelen ten aanzien van de natuur te transformeren. Deze verandering is echter nog lang niet voltooid. De visie op een universum van objecten die bestemd zijn om door ons te worden gemanipuleerd en onderworpen, is nog niet echt ingeruild door de visie op een levende natuur waarvan we de spelregels en diversiteit moeten respecteren. De visie op de mens die ‘boven de natuur’ staat, is nog niet vervangen door die op een mens die in complexe afhankelijkheid staat met de levende natuur, waarvan het einde ook ons einde zou betekenen. De politieke ecologie heeft bovendien de verdienste dat ze ons ertoe aanzet ons denken en handelen ten aanzien van de samenleving en onszelf te veranderen.

Elk ecologisch beleid heeft namelijk twee kanten: de ene is gericht op de natuur, de andere op de samenleving. Zo is een beleid dat erop gericht is vervuilende fossiele brandstoffen te vervangen door schone energiebronnen tegelijkertijd gericht op gezondheid, hygiëne en levenskwaliteit. Een beleid inzake energiebesparing is tegelijkertijd onderdeel van een beleid dat verspilling tegengaat en de consumptiedrang van de middenklasse bestrijdt. Een beleid dat de geïndustrialiseerde landbouw en veeteelt terugdringt, en daarmee het grondwater zuivert, diervoer van hormonen en antibiotica ontdoet, en plantaardig voedsel ontgift dat doordrenkt is met pesticiden en herbiciden, is tegelijkertijd een beleid gericht op volksgezondheid en hygiëne, voedsel- en levenskwaliteit. Een beleid dat erop gericht is steden te verschonen door ze te omringen met een parkeergordel, het elektrische openbaar vervoer te ontwikkelen en historische centra autovrij te maken, draagt sterk bij aan een herhumanisering van de steden, wat bovendien de herintroductie van sociale diversiteit zou inhouden door sociale getto’s af te schaffen, de luxegetto’s voor bevoorrechten inbegrepen.

Meer info
€ 3,90
Het Planetaire Existentialisme van Edgar Morin

Het Planetaire Existentialisme van Edgar Morin

Op 29 mei 2026 overleed één van de belangrijkste Franse humanistische denkers uit onze tijd. Hij werd 104 jaar oud. Onder de filosofen deed alleen Hans-Georg Gadamer hem dit na. Edgar Morin was geboren in 1921 in Parijs, en hij heeft in zijn lange en productieve leven veelvuldig verslag gedaan van de intellectuele uitdagingen van zowel de 20ste als de 21ste eeuw. Op 24 jarige leeftijd schreef hij zijn eerste journalistieke werk, L’An zéro de l’Allemagne (1946), waarin hij de enorme existentiële uitdagingen van het naoorlogse Duitsland beschreef. Dit boek was ook een pleidooi voor een politieke en culturele toenadering en samenwerking in Europa. Morin, die van Sefardisch Joodse komaf was, was gedurende de oorlog actief geweest in het verzet; deze achtergrond weerhield hem er niet van zich verzoenend op te stellen jegens de verslagen medemens. De terugkerende thema’s in Morins humanistische filosofie zijn sterk gekoppeld aan zijn oorlogservaring: ‘verzet’, ‘compassie’, ‘verzoening’, ‘begrip’, ‘dialoog’ en ‘verbinding’. Deze thema’s treden bijna altijd op de voorgrond als Morin reageert op een ontwrichtend of destructief aspect van de realiteit dat net als oorlog een moment van wanorde, chaos of entropie representeert.

Hoewel hij rechten studeerde stond hij als intellectueel vooral bekend als socioloog en filosoof. Door de omstandigheden van de oorlog had Morin zijn studie niet afgerond, toch kreeg hij in 1950 een aanstelling aan het gerenommeerde Franse onderzoeksinstituut CNRS, binnen het sociologische departement, waar hij ook ‘directeur de recherche’ zou worden. Deze aanstelling gaf hem de mogelijkheid om zich levenslang volledig te wijden aan het schrijven. Morin schreef sinds zijn aanstelling bijna jaarlijks een boek, en soms wel meer dan één. Zijn oeuvre is veelzijdig: naast journalistieke werken – Allemagne notre souci (1947), Journal de Californie (1970), Au Rythme du monde (2014), etc. – schreef hij in de beginfase van zijn denken cultuursociologische werken zoals Les Stars (1957) en L’Esprit du temps (1962), en daarnaast vooral filosofisch-antropologische studies, die de vraag wat de mens is en wat menselijkheid betekent in het vizier neemt, zoals L’Homme et la mort (1957), Le Paradigme perdu (1973) en L’Unité de l’homme (1974). In deze eerste ‘humanistische’ fase van Morins denken wordt de mens existentialistisch benaderd als een wezen dat sociaal en historisch gesitueerd is, en dat, anders dan andere bestaansvormen, over zijn in-de-wereld-zijn reflecteert. Morin wordt in deze fase sterk beïnvloed door het Franse existentialisme (Sartre, Merleau-Ponty), de Duitse filosofische antropologie (Plessner, Gehlen) en de ontologie van Martin Heidegger.

Na zijn onderzoeksverblijf in de jaren zeventig in het Salk Institute in Californië vindt er in het denken van Morin een duidelijke verschuiving plaats: hoewel hij het humanisme van zijn eerste fase zeker niet de rug toekeert, wordt de vraag naar de mens in deze tweede fase binnen een ecohumanistisch perspectief geplaatst waarin niet zozeer de mens maar de kosmos het ultieme object van beschouwing is. Het zou hier inderdaad beter zijn om van kosmohumanisme te spreken, omdat Morin vanaf 1977, gegrepen door een encyclopedische roes, een systematische filosofie van de biologie en de natuur ontwikkelt, en een filosofische kosmologie en ontologie uitwerkt, die ook sterk metafysische eigenschappen heeft. Zijn vroege kennismaking met het werk van Georg Wilhelm Friedrich Hegel speelt hierbij een centrale rol: men heeft zijn filosofie ook wel als een transformatie van de Hegeliaanse dialectiek in een ‘dialogistiek’ gekenmerkt.
Terwijl de dialectiek uit zou gaan van een wederzijdse opheffing van tegenovergestelde polen, is de ‘dialogistiek’ een proces dat alle tegenspraken met elkaar in een feedbackachtige dialoog brengt.1 Morin is met Karl Marx van mening dat de dialectiek van Hegel op ‘haar voeten moet worden gezet’. Ondanks zijn waardering voor het historischmaterialisme neemt Morin afstand van het marxistische verklaringsmodel dat economische conflicten centraal stelt.

Meer info
€ 3,90
Het werk sprak – pedagogisch ont-werpen en ont-vouwen

Het werk sprak – pedagogisch ont-werpen en ont-vouwen

Op Musework Live, het festival van het HKUlectoraat Kunst en Professionalisering, stond het thema teacher artistry meerdere edities centraal. De organisatoren besloten het thema verder te onderzoeken en schreven er een boek over: Leraar zijn: ambachtelijk en kunstzinnig (Telos, 2025). De zes auteurs zijn Pieter Baay, Gert Biesta, Patrick van der Bogt, Hanke Drop, Saar Frieling en Bart van Rosmalen. Onderweg werden de gedachten beproefd in try-outs, op het festival en in een theaterruimte in Utrecht. Het boek leest niet als een methode maar als een verkenning. De auteurs vatten lesgeven op als een menselijke praktijk in het domein van het veranderlijke – niet stuurbaar als een machine, maar een kwestie van oordeel, timing en relatie. Daartegenover staat een meetcultuur waarin leerlingen ‘wandelende hoofden’ worden en onderwijs een zaak van recepten. Het boek beweegt tussen het ambachtelijke en het kunstzinnige, en houdt vast dat lesgeven zich afspeelt in het echte leven – met mensen die iets willen en kunnen, en die daarin even vrij als begrensd zijn. De leraar is geen kunstenaar, maar telkens blijkt hoeveel onderwijs en kunst delen.

Die verkenning krijgt vorm in twee soorten teksten. De zes langere hoofdstukken vormen de systematische laag: ze bieden taal en begrippen om naar het ambachtelijke en kunstzinnige te kijken, en gaan zo óver teacher artistry. De kortere intermezzo’s – voortgekomen uit de try-outs – zijn impressionistischer: ze doen verslag van wat de auteurs ervoeren toen ze hun ideeën voor hun hoofdstukken opvoerden, en laten ervaren in plaats van uitleggen. 
Zo spiegelt de vorm de inhoud: het boek betoogt niet alleen dat lesgeven ambacht én kunst is, het zoekt daar ook een passende vorm voor. Daarmee is het boek meer een uitnodiging dan een betoog – een beeld dat erin letterlijk terugkomt: een zevenhoekige tafel waar de zes auteurs met hun teksten zitten, met een stoel vrij voor de lezer om aan te schuiven. Op 2 april 2026 werd die vrije stoel een echte gast. Tijdens een middag aan Hogeschool Leiden, onder de noemer van ‘het doen en delen van praktijken’, nodigde elk van de auteurs iemand uit om de eigen praktijk van teacher artistry te laten zien. Ik was een van die gasten, uitgenodigd door Hanke Drop. Ze vroeg of ik de groep misschien iets kon laten ervaren. Die vraag stelde ze aan mij – een eer. Op zo'n vraag kun je alleen zelf antwoorden, en dat deed ik op de manier die bij me past: als kunstenaar, leraar en pedagoog, met volle overgave. 
Het artikel volgt de gang van het initiatief. De eerste vier delen beschrijven hoe het verliep: het idee en de voorbereiding, de bijeenkomst zelf, het nagesprek, en de brieven die terugkwamen. Daarna volgen de duiding en een beschouwing.

Het idee in de nacht, en een maand werken
In de eerste weken na de uitnodiging wist ik nog niet wat ik zou doen. Mijn eerste idee was de verstoring zelf te spelen: te laat komen, zeggen dat het een uur zou duren terwijl er maar een kwartier voor was – humor en ongemak, een op de spits gedreven vorm van ‘het domein van het veranderlijke’. Het zou een gimmick zijn.

Recent had ik een plaat van Matmos gekocht: Metallic Life Review. ‘s Nachts zette ik hem aan en schrok van de geluiden. Ik besloot het toe te laten, dit ongemak even te doorstaan en af te wachten wat de plaat brengen zou. Een kleine keuze waar ik inmiddels heel dankbaar voor ben. Waar luisterde ik eigenlijk naar? Omgevingsgeluiden, bizarre electro, spanning, humor, harmonie – een grote ontdekkingsreis. Niet eerder hoorde ik zo’n gave samenkomst van hoorspel en elektronische muziek. Meteen zette ik hem opnieuw op, liggend, voeten en handen voorzichtig dansend. En toen kwam het: dit wilde ik in Leiden laten horen, meer niet.

Meer info
€ 3,90
In gesprek met Jaap Wijkstra

In gesprek met Jaap Wijkstra

Marcel de Rooij: Jaap, we hebben elkaar een aantal maanden geleden gesproken over je boek ‘Wij en Zij’, voor een artikel in het tijdschrift Waardenwerk. In die tijd is jouw gedachtegoed alleen maar actueler en relevanter geworden. Je hebt een, in mijn ogen, hoopgevend boek geschreven. Hoopgevend, omdat je een concept en taal aanreikt om polarisatie en het splitsen in ‘wij-zij’ beter te begrijpen en je ook een handelingsperspectief biedt om er mee om te gaan. Dus ik ben graag ingegaan op de vraag om je ook hier vandaag te interviewen. Want ik denk dat het heel hoopvol en ook troostend is om met zo›n grote groep, zoals we nu hier bijeen zijn, een gesprek te voeren over jouw gedachtegoed, zodat het breder bekend en beter begrepen wordt en ook het handelingsperspectief helder wordt. Om mee te beginnen: in je boek benadruk je het belang van het psychisch emotioneel perspectief in het debat over en het onderzoeken van polarisatie. Wat maakt dat perspectief in jouw ogen zo belangrijk?

Jaap Wijkstra: Dat zal ik proberen uit te leggen. Ik ben 40 jaar werkzaam geweest In de psychiatrie als psychiater en daar ging het natuurlijk altijd over het individu. Het individu, redelijk los van de sociale orde, zoals ik dat noem. Toen ik met pensioen ging, ben ik daar verder over gaan doordenken. Ik ben Harry Kunneman tegengekomen, heb kennisgemaakt met het gedachtegoed van Waardenwerk en ben verder gaan lezen. En wat mij opvalt is dat het psychologische perspectief in veel verklaringen en theorieën over onze sociale wereld een ondergeschoven kindje is. Bijvoorbeeld – iemand legt iets uit op grond van economische theorieën en economische kennis, wat ook heel belangrijk is natuurlijk, maar zonder de invloed van het psychologische op het economisch handelen; een ander legt uit hoe de geschiedenis is verlopen en hoe het verder zal lopen. Of een filosoof – zo kan ik wel doorgaan en altijd zet ik een vraagteken: waar is het psychische? Ik denk dat er meestal beperkt inzicht is in het gebied van individuele psychologie. Terwijl ik denk dat economische verklaringen, geschiedkundige verklaringen, filosofie of wat ook, voortdurend verwikkeld zijn met het individueel psychologische. En zo ben ik tot mijn verdere denken gekomen en dat heb ik in mijn boeken verwerkt. Dus dat is waarom ik dat zo benoem.

MdR: In je boek gaat het over wij-zij. En het gaat ook over de goed-kwaad positie. Dat noem je als één van de bouwstenen van het emotioneel psychisch perspectief. Kun je iets meer zeggen over die goed-kwaad positie? Hoe werkt dat? JW: Het is een complex verhaal en alles wat ik vertel is natuurlijk een reductie van die complexiteit. Maar ik doe een poging. De persoonlijke vroege ontwikkeling, zoals wij ontstaan in relatie met onze ouders, is een proces. Dat verloopt vanaf het punt van geen bewustzijn hebben, of – als ik het nog wat complexer zeg – geen bewustzijn van het bewustzijn, naar een individu zijn met een besef van je eigen bewustzijn. In dat proces zijn een aantal fasen te onderscheiden en er zijn een aantal thema’s die in die fasen steeds aan de orde komen. De vier thema’s die ik heb benoemd zijn de separatie, de individuatie, de socialisatie en de relational turn. Dat zijn de vier thema’s waar we als mens steeds mee worstelen in alle fasen van onze ontwikkeling. Ik ben me ook gaan afvragen: waarom zijn wij mensen eigenlijk geroepen om met die vier thema’s te worstelen? Naar mijn idee komt dat voort uit het feit dat wij een dusdanig complex brein hebben dat wij in staat zijn tot bewustzijn van ons bewustzijn, dus dat wij een besef hebben van dat wij beseffen. Dat noem ik ons metabewustzijn.
Dat is vrij uniek voor mensen. Dieren hebben dat nauwelijks of niet naar mijn idee. En dat is de separatie. De separatie is dat wij ons bewust worden van onszelf en beseffen dat we gescheiden zijn van de ander; zodra we in het paradijs van de appel van de boom der wetenschap of de kennis hebben gegeten – dat is eigenlijk een metafoor voor het metabewustzijn.

Meer info
€ 3,90
Interview met Arjan Keizer en Wouter Lut, oprichters van ‘Medewerkers voor onze Toekomst’

Interview met Arjan Keizer en Wouter Lut, oprichters van ‘Medewerkers voor onze Toekomst’

September 2025 hebben Arjan Keizer en Wouter Lut, met enkele andere professionals uit het bedrijfsleven, de beweging ‘Medewerkers voor onze Toekomst’ opgericht. Wat ons, Marcel en Antoinette, treft in dit initiatief is dat het focust op medewerkers in grote bedrijven. Veel medewerkers in het bedrijfsleven, waar vooral de stem van de aandeelhouders telt, durven zich in hun werk niet over duurzaamheid en het klimaat uit te spreken. Dit blijkt uit onderzoek van ‘Medewerkers voor onze Toekomst’, en Arjan en Wouter hebben ook zelf ervaren dat het spannend kan zijn om je in je werk uit te spreken over dit thema als dat mogelijk schuurt met het beleid van het bedrijf waar je voor werkt. Want er staat wat op het spel – enerzijds de waarden van duurzaamheid, anderzijds je baan, positie, carrièrekansen. Kortom: het vergt moed om een stap naar voren te doen. Om medewerkers te verenigen en te inspireren om die stap naar voren wél te zetten, startten zij deze beweging. Daarmee hopen ze ook bij te dragen aan een verandering van binnenuit in bedrijven om meer werk te maken van duurzaamheid en op die manier ook bij te dragen aan een versnelling van het sociaal kantelpunt. Arjan werkte jarenlang voor McKinsey en Shell en werkt nu (vooralsnog onbezoldigd) full-time voor Medewerkers voor onze Toekomst (MvoT). Wouter werkt bij ING en daarnaast 10% (op vrijwillige basis) bij MvoT. We spreken twee bevlogen mannen, die uit zorg voor hun kleine kinderen resp. tieners, willen bijdragen aan een mooiere wereld.

Arjan en Wouter, hoe zijn jullie gekomen tot de oprichting van Medewerkers voor onze Toekomst? Wouter Lut: Ik werk nu bijna 20 jaar voor ING. Mijn studieachtergrond is een bachelor in commerciële economie, dus meer marketing, daarna heb ik nog bedrijfskunde gedaan meer gericht op HR en strategie in organisaties. Na mijn studie ben ik bij ING gaan werken op de afdeling die ging over het klachtenbeleid en klanttevredenheid. Een paar jaar terug ben ik bij duurzaamheid betrokken geraakt, eerst privé, en toen realiseerde ik me dat een bank daar ook een belangrijke rol bij speelt, op zowel een positieve manier als een negatieve manier. Een bank financiert op een bepaalde manier de maatschappij en daar kun je een oordeel aan geven – vind je het goed wat wordt gefinancierd of niet? Op enig moment kreeg ik de mogelijkheid om van binnenuit te gaan bijdragen aan verduurzaming van onze portfolio. Ik heb toen een netwerk binnen ING opgezet om het gesprek te voeren over verduurzaming en de rol van ING. Een paar jaar geleden was het in de maatschappij een groot thema en toch ervaarde ik dat het schuurt: ik wilde, dat was als het ware mijn ‘coming out’ op dit thema, een kritische vraag stellen op ons interne forum, maar ik vond dat spannend om te doen. Ik had de vraag een paar keer ingetypt en vervolgens weer gedelete, tot ik dacht: ik verstuur het toch want ik vind het belangrijk. Maar het was heel spannend – wat vinden andere mensen ervan, ben ik de enige die dit vindt, gaan mensen zeggen: ‘dat kan je echt niet maken’? Vervolgens kreeg ik een aantal ‘duimpjes’ en ik realiseerde me dat er dus méér mensen zijn die ook zo denken én die er ook nog een duimpje bij durven zetten; want dat je laat zien dat je het support, betekent natuurlijk ook iets. Ik dacht: we zijn dus met méér, ik ga uitzoeken wie die mensen zijn, een netwerk opzetten, en laten we starten met onze vragen en zorgen met elkaar te delen. Dat delen met elkaar is fijn.

Meer info
€ 3,90
Naar een relationele herijking van het humanisme

Naar een relationele herijking van het humanisme

Ik wil mijn bijdrage graag beginnen met een opmerking over het boek van Jaap Wijkstra, Wij en Zij. De ander als het kwaad. Dat is een boeiend en belangrijk boek. Alleen al de titel van zijn boek bevat een wezenlijke boodschap: laten we onze aandacht niet zozeer richten op het mooie en goede in mensen en hoe dat kan overwinnen in het licht van wat er misgaat, maar laten we starten bij de krachtige neiging van mensen om tegenstellingen te creëren, conflicten te verdiepen en anderen tot vijand te maken. Zoals Wijkstra laat zien, ontstaat daarmee niet alleen een realistischer beeld van wat mensen doen en laten. Bovendien komen dan nieuwe aanknopingspunten in beeld om beter met die conflictualiteit om te gaan, zowel op het niveau van persoonlijke relaties als op het niveau van democratie en rechtstaat.

In aansluiting bij Wijkstra’s analyse, wil ik mij richten op het belang van de relationele wending voor een herijking van het humanisme. Ik heb lange tijd een ambivalente verhouding gehad tot het humanisme. In de eerste plaats omdat dat op cultureel niveau zo’n duidelijk aandeel heeft gehad in de grote problemen waar moderne maatschappijen mee worstelen, met name onze verstoorde relatie met andere bioten. Maar ook omdat de meeste humanisten zo’n moeite hebben om dat onder ogen te zien en daar consequenties uit te trekken. 

Die ambivalente gevoelens zijn de laatste jaren tot mijn eigen verrassing op de achtergrond geraakt. Enerzijds doordat ik in het biotische perspectief een remedie gevonden denk te hebben voor het antropocentrisme van het moderne humanisme.1 Anderzijds omdat ik inmiddels de noodzaak voel om ‘te gaan staan’ voor het humanisme, ondanks de problemen die inherent verbonden zijn met alle ’ismes’ inclusief het humanisme, in het bijzonder de neiging om het eigen gelijk te verabsoluteren. De noodzaak die ik inmiddels in mijn ogen voel om voor het humanisme op te komen, komt enerzijds voort uit het oprukkende populisme en racisme en de daarmee verbonden ondermijning van democratische instituties. Anderzijds komt die voort uit al het geweld en het lijden dat momenteel onder aanvoering van narcistische leiders en mateloze kapitaalbezitters in de wereld wordt gebracht, zowel jegens mensen als jegens andere levensvormen. Die twee ontwikkelingen hangen direct met elkaar samen en versterken elkaar.

In het licht van deze verontrustende ontwikkelingen is het in mijn ogen belangrijk en nodig om het over humanisme en over humanisering te hebben en om daar nieuw leven in te blazen. Humanisme draait voor mij om de zoektocht naar antwoorden op centrale vragen van het menselijk bestaan, vanuit het besef dat definitieve antwoorden daarop zowel onmogelijk als onwenselijk zijn. Het gaat hier in de kern om drie, onderling verbonden vragen: existentiële en ethische vragen rond de inhoud van een zinvol en vervuld leven; morele vragen rond recht doen aan andere mensen; en tenslotte om politieke vragen rond de vormgeving van rechtvaardige instituties, een democratische rechtstaat en een eerlijke verdeling van essentiële economische hulpbronnen. In het humanisme wordt van oudsher afgezien van een definitief en bindend antwoord op deze vragen. In plaats daarvan worden die vragen steeds opnieuw geformuleerd en beantwoord in relatie tot de noden van ieder tijdperk. Volgens de Franse filosoof Gilbert Simondon moet het humanisme in ieder tijdperk opnieuw ontdekt worden, in antwoord op de belangrijkste bedreiging van humaniteit in dat tijdperk.2 In mijn ogen vormt het versmallen en verarmen van de relaties tussen mensen onderling en tussen mensen en andere levensvormen de belangrijkste bedreiging van humaniteit in onze tijd. Ik ga er echter vanuit dat het humanisme niet alleen een levensbeschouwing is, maar evenzeer een netwerk van praktijken: humaniseren is een werkwoord. Humanisering vraagt zowel om een ethische, morele en politieke visie, als om werk om die visie in de praktijk zo goed en zo kwaad als dat gaat waar te maken: humanisering vraagt om waardenwerk. Ik kom daar aan het slot op terug.

Meer info
€ 3,90
Onderwijs in het Anthropoceen: wat kan een verdiept humanisme antwoorden

Onderwijs in het Anthropoceen: wat kan een verdiept humanisme antwoorden

Education for Transformation, onder redactie van Doret de Ruyter en Carolina Suransky, brengt vooraanstaande denkers uit de humanistische onderwijstraditie samen rond één vraag: wat vraagt het Anthropoceen van onderwijs? De bundel zoekt naar een humanisme dat zichzelf verdiept, met oog voor ecologische bloei en een meer relationele verhouding tot de wereld. Hieronder volgt een waarderende lezing van die zoektocht.

De vraag van waaruit de bundel vertrekt
Wat vraagt het Anthropoceen van onderwijs, en wat kan een verdiept humanisme daarop antwoorden? Het Anthropoceen, het tijdvak waarin de mens de aarde zelf is gaan vormen, is niet alleen een geologische vaststelling maar een vraag aan onze cultuur, en daarmee aan het onderwijs dat die cultuur doorgeeft. Die vraag ligt aan de basis van Education for Transformation, onder redactie van Doret de Ruyter en Carolina Suransky, beiden verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek. De Ruyter is er hoogleraar wijsgerige pedagogiek en denkt al jaren over menselijke bloei; Suransky is hoogleraar hoger onderwijs en werkt rond de thema’s diversiteit, dekolonialisatie en klimaatrechtvaardigheid. De bundel brengt vooraanstaande denkers uit de humanistische onderwijstraditie samen rondom een urgentie die niet langer te omzeilen is. De mens heeft de aarde fundamenteel veranderd, en het onderwijs heeft daarin meegedaan. Het reproduceerde een mensbeeld dat autonomie centraal stelt, de natuur tot achtergrond maakt en kennis behandelt als iets dat je bezit en overdraagt. De redacteuren willen dat doorbreken. Ze geven het humanisme niet op, ze verdiepen het. Eén woord uit de titel bleef me daarbij bezighouden: transformatie. Waarvan, waarheen, en voor wie? De bundel laat dat open, en met die vraag ben ik gaan lezen.

Een rondgang door de bundel
De verdieping van het humanisme krijgt in de bundel uiteenlopende gestalten. Het boek is academisch en wijsgerig van toon en zoekt hier en daar de praktijk op. De grondtoon is zoekend en ernstig, en tegelijk hoopvol. In de inleiding zetten De Ruyter en Suransky de lijn uit: de mens heeft de aarde veranderd, het onderwijs heeft daaraan meegedaan, en bloei vraagt voortaan om een ecologisch besef. Drie thema’s geven het boek vorm. Het eerste herziet menselijke bloei in ecologische zin. Het tweede zoekt naar manieren om vervreemding te doorbreken en verbinding te herstellen. Het derde opent het humanisme naar niet-westerse en dekoloniale kennis.

De hoofdstukken die volgen, vullen die drie thema’s elk op hun eigen manier in, van De Ruyters ecologische aandachtigheid tot de netwerken van Boisvert en Suransky.
Het openingshoofdstuk van De Ruyter werkt het eerste thema uit met wat zij ecologische aandachtigheid noemt, een zorgzame en oplettende blik op de wereld waar je deel van bent. Bloei blijft haar uitgangspunt, nu verbreed met aandacht voor de aarde. 
Nick Hebbink en Anders Schinkel leggen een vinger op een paradox. Onderwijs dat de natuur terugbrengt tot CO2-drager of ecosysteemdienst dooft juist de verwondering die het wil wekken. Hun tegenwicht is existentiële dankbaarheid, een besef van het eigen bestaan als iets dat je ontvangt, met verwondering en ontzag als ervaringen die het gewone waarnemen openbreken.

Meer info
€ 3,90
Reactie op Wij en Zij van Jaap Wijkstra

Reactie op Wij en Zij van Jaap Wijkstra

Op 14 mei van dit jaar kreeg ik vanuit de Verenigde Staten plotseling breaking news op mijn scherm. In een interview met Time had Nicki Minaj gezegd dat ze MAGA was geworden nadat Gavin Newsom haar compleet had genegeerd.

Dit behoeft misschien enige toelichting. Nicki Minaj is de koningin van de rap, de bestverkopende vrouwelijke rap-artiest in Amerika, geboren in de hoofdstad van Trinidad en Tobago, opgegroeid in New York. Aanvankelijk sprak ze zich uit voor de Democraten, en tegen de anti-immigratie politiek van president Trump, maar het laatste jaar is ze steeds nadrukkelijker aanhanger van de Make America Great Again beweging geworden. Aan opinieblad Time legde ze uit dat ze de Democratische gouverneur van California, Gavin Newsom, een paar jaar geleden om hulp had gevraagd: ze had last van valse 112-meldingen, de politie werd in het wilde weg op haar huis afgestuurd, en ze vroeg gouverneur Newsom er iets aan te doen. De Democraat had niet geantwoord. Republikeinen reageerden wel. En dat is, schrijft Time, How Nicki Minaj went Maga (https://time.com/article/2026/05/14/nicki-minaj-trump/) Sindsdien noemt Nicki Minaj de Democraten op sociale media steeds ‘Demoncraten’, aangezien er demonen in hun innerlijk huizen. Vervolgens sla ik een paar details over; ik wijs alleen nog kort op de persdienst van Gavin Newsom, de Democratische gouverneur van Californië en mogelijk toekomstig presidentskandidaat, die dit jaar triomfantelijk liet weten dat Nicki Minaj bij de Grammies was gekleineerd – ‘snubbed’- en dat ze niet veel meer is dan een oké-e artiest, die wanhopig op zoek is naar aandacht. (https://www.forbes.com/sites/conormurray/2026/02/02/nicki-minajs-full-on-maga-rant-slams-demoncrats-jay-z-and-trevor-noahs-grammy-dig)

Aangezien ik dit allemaal las met mijn ene hersenhelft, terwijl ik met mijn andere hersenhelft verdiept was in Wij en zij van Jaap Wijkstra, werd de verleiding groot psychiatrische diagnoses te stellen. Maar laat ik dat niet doen, ik zeg alleen in het algemeen iets over zulke conflicten. En dan vooral over de digitale infrastructuur waarop de eenentwintigste-eeuwers die conflicten botvieren. Maar allereerst iets over de sexiness, de aantrekkingskracht van zo’n ruzie, omdat ik daar straks ook, hoopvol, weer wil eindigen.

Het belang van conflicten
Een verwijt dat een artiest, een rap-artiest, op zoek is naar aandacht, is natuurlijk niet helemaal uit de lucht gegrepen. Amusement is net als politiek een aandachtsindustrie: het inhoudelijke streven van politici en zangers wordt doorkruist door hun behoefte aan een groot publiek. En dat grote publiek heeft nu eenmaal veel aandacht voor ruzie en negatieve emoties.

Meer info
€ 3,90
Redactioneel Waardenwerk 105

Redactioneel Waardenwerk 105

Het is de zoveelste zomer die de realiteit van de klimaatcrisis duidelijk aan ons opdringt. Niet eerder was het in Nederland zo vroeg in het jaar zo warm als afgelopen juni. Jonge gierzwaluwen hielden het niet meer uit onder de broeierige dakpannen en sprongen onvolgroeid uit hun nest. Dagenlang kwam de temperatuur ook ‘s nachts niet onder de 20 graden. Wetenschappers en activisten die steeds opnieuw wijzen op de urgentie van proactief klimaatbeleid klinken langzaam maar zeker als een grijsgedraaide plaat. Jaar na jaar constateren ze in reactie op een hittegolf hetzelfde—Ja, dit is klimaatverandering. Ja, dit komt door de mens. En ja, er zijn oplossingen voorhanden. Maar nee, we gebruiken ze lang niet snel genoeg. En voor het geval iemand het vergeten was—dit is nog maar het begin. Op allerlei plekken kwam ik de boutade tegen dat dit de koelste zomer is van de rest van je leven.

In de afgelopen jaren is er steeds meer aandacht gekomen voor de systemische samenhang van de klimaatcrisis met andere complexe mondiale problemen. Zo beschreef een groep wetenschappers van het Cascade Institute in 2022 dat de mensheid geconfronteerd wordt met een serie ernstige en langdurige uitdagingen, zoals verlies van biodiversiteit, bodemuitputting, maatschappelijke ongelijkheid, polarisatie en politieke instabiliteit. Hoewel er diepgaande wetenschappelijke inzichten zijn over de afzonderlijke problemen, vinden zij het inzicht in de samenhang tussen die problemen nog oppervlakkig. Het is zaak om die samenhang beter te begrijpen, omdat de afzonderlijke uitdagingen door systemische wetmatigheid kunnen uitgroeien tot een mondiale polycrisis, waarbij verschillende ontwikkelingen elkaar versterken en de afzonderlijke problemen verergeren. Een actueel voorbeeld hiervan is de explosieve groei van artificial intelligence en de daardoor veroorzaakte ecologische kosten. Een recent rapport van de Verenigde Naties hierover laat zien dat allerlei variabelen op een ingewikkelde manier met elkaar in verband staan. Elke kilowattuur elektriciteit, nodig om een AI-systeem te trainen of laten functioneren, leidt tot enorm gebruik van water, vooral om processors te koelen. Het zorgt daarnaast voor fors gebruik van de fysieke ruimte. Als een datacentrum geen fossiele energiebronnen meer gebruikt voor het opwekken van energie, dan leidt dat weliswaar tot een forse reductie van de carbon footprint, maar ook tot een toename van water- en landgebruik. Wie een zonnepark wil aanleggen heeft veel ruimte nodig en zal bij de productie van zonnepanelen veel water en zeldzame mineralen en metalen gebruiken, vaak afkomstig uit kwetsbare ecosystemen. En dan heb je nog te maken met een berg elektronisch afval die in 2030 naar schatting jaarlijks 2,5 miljoen ton zal bedragen, alleen veroorzaakt door AI-infrastructuur. Wie denkt een uitweg te hebben gevonden uit de kluwen van problemen, wordt direct geconfronteerd met een nieuwe puzzel. Redenen genoeg om te spreken over een VUCA-wereld, waarbij VUCA staat voor Volatile (onvoorspelbaar), Uncertain (onzeker), Complex en Ambiguous (vatbaar voor uiteenlopende interpretaties).

Hoewel de systemische analyse van de samenhang tussen afzonderlijke mondiale problemen waardevol is, graven sommige filosofen nog een slag dieper naar de onderliggende oorzaken van de systemische crisis. Zij gebruiken het begrip metacrisis om te beschrijven welke culturele overtuigingen ten grondslag liggen aan de complexe, ongrijpbare wereld die onder onze ogen is ontstaan. De werkelijke crisis zit in ons, in de verhalen die we onszelf en elkaar vertellen. Het gaat om gedeelde opvattingen over wie wij zijn, over wat bestaat en wat niet, over wat geldt als kennis en waarheid. Die overtuigingen blijven vaak vrijwel onzichtbaar en onbesproken, ze zijn als de lucht die we inademen. Veel denkers zijn het erover eens dat de huidige polycrisis het resultaat is van een westerse, moderne levensbeschouwing. Het is een cultureel paradigma dat, grofweg, draait om individualisme, empirische zekerheid, reductionisme en rationalisme. In het centrum van dit paradigma staat een afgescheiden, onafhankelijk subject dat de werkelijkheid om zich heen kent, benoemt, classificeert en daarmee controleert. Het is een subject dat zichzelf steeds moet waarmaken en rechtvaardigen. En dat moet het doen in een kapitalistische samenleving die individuele verdienste boven alles waardeert.

Meer info
Gratis
Tussen weten en niet-weten: ervaringskennis in de praktijk van mentaliseren

Tussen weten en niet-weten: ervaringskennis in de praktijk van mentaliseren

In opmaat naar haar lectorale rede op 10 juni ter installatie als lector GGZ, is Simona Karbouniaris in gesprek gegaan met Thomas Zwetsloot en Jonas Weijers. In het gesprek zoekt ze naar een antwoord op de vraag hoe ervaringskennis, mentaliseren en herstelgerichte zorg elkaar kunnen versterken.

Drie perspectieven, één praktijk 
Binnen GGZ Rivierduinen werken Thomas Zwetsloot, Jonas Weijers en Simona Karbouniaris ieder vanuit een andere positie aan dezelfde opgave: herstelgerichte, menswaardige specialistische geestelijke gezondheidszorg.

Ervaringskennis als emancipatiepraktijk
Ervaringskennis en -deskundigheid verwijst naar kennis die voortkomt uit persoonlijke ervaringen met psychische kwetsbaarheid, herstel en contact met de zorg. Wanneer deze ervaringen worden verdiept, gedeeld en verbonden aan collectieve inzichten, kan ervaringskennis een professionele en aanvullende bron van kennis vormen naast wetenschappelijke en klinische expertise (Borkman, 1976). Binnen de ggz krijgt dit onder meer vorm via herstelactiviteiten en peer support, waarbij gedeelde ervaringen worden ingezet ter ondersteuning van persoonlijke groei.

Voor Thomas is ervaringsdeskundigheid meer dan het delen van persoonlijke verhalen. Het is, in zijn woorden, ‘bijdragen aan de emancipatie van de zorgvrager en het faciliteren van zelf hulp’. In de praktijk betekent dit dat hij herstelwerkgroepen begeleidt waarin cliënten met elkaar in gesprek gaan, en dat hij oud-cliënten opleidt tot maatjes voor huidige cliënten.

Deze nadruk op peer support – mensen die elkaar ondersteunen vanuit een gedeelde ervaring – vormt een wezenlijk andere invalshoek dan de klassieke professionele benadering. Waar professionals vaak werken met methoden, richtlijnen en diagnoses, richt ervaringsdeskundigheid zich op herkenning, erkenning en hoop.

‘Wat ik scherp houd,’ zegt Thomas, ‘is taalgebruik en stigma. In taal zit veel verpakt. Ook zelfstigma. Hoe iemand naar zichzelf kijkt.’ Daarmee verschuift de focus van ‘wat iemand heeft’ naar ‘wie iemand is’ en ‘wat iemand meemaakt’. Deze benadering sluit nauw aan bij bredere ontwikkelingen binnen de GGZ waarin herstel niet alleen wordt gezien als symptoomreductie, maar als het hervinden van betekenis, regie, identiteit en verbinding.

Mentaliseren: een relationeel mensbeeld
Mentalisation-Based Treatment (MBT) vond sinds de jaren 2000 steeds meer ingang binnen de Nederlandse ggz. Centraal staat het vermogen tot mentaliseren: het begrijpen van eigen en andermans gedrag in termen van onderliggende gevoelens, gedachten en intenties. De MBT-benadering, zoals Jonas aanvult, vertrekt vanuit een relationeel mensbeeld.

Dit vermogen staat onder druk bij mensen met complexe problematiek, zoals persoonlijkheidsproblematiek, trauma en psychosegevoeligheid. Veel cliënten binnen het MBTteam hebben langdurig complexe en ernstige psychische aandoeningen, vaak met een combinatie van klachten. Uit recent promotieonderzoek van psychiater Saskia Knapen (2024), wordt duidelijk dat epistemisch vertrouwen een belangrijke rol speelt in de behandeling. Epistemisch vertrouwen wordt beschouwd als een relatief stabiel, maar contextgevoelig vermogen om informatie van anderen als betrouwbaar, relevant en bruikbaar voor jezelf te ervaren. Het gaat dus niet alleen om iemand geloven, maar om de bereidheid om je open te stellen voor wat een ander je probeert mee te geven en daar daadwerkelijk van te kunnen leren. Dit vermogen hangt sterk samen met veilige gehechtheid en mentaliseren. Mensen ontwikkelen dit vertrouwen in relaties waarin zij zich gezien, erkend en begrepen voelen. Wanneer iemand opgroeit met onveiligheid, trauma of afwijzing, kan juist epistemisch wantrouwen ontstaan: een voortdurende alertheid op de intenties van anderen, moeite om hulp toe te laten of informatie snel ervaren als onveilig, controlerend of niet relevant.

Meer info
€ 3,90