Het was op een vroege maandagochtend, dat ik op het station wachtte op de trein naar Nijmegen, waar ik een week lang colleges zou volgen over Mystiek van het alledaagse. Om mij heen stonden allemaal mensen die overduidelijk aar hun werk gingen en hoewel dat ook voor mij gold had ik met mijn rugzak en gemakkelijke kleding toch zomaar kunnen worden aangezien voor iemand die op vakantie ging – en dat gebeurde later op de dag ook, toen ik bij mijn pension aankwam
‘Ah, u komt hier om lekker te wandelen?’. De trein had vertraging en ik drentelde wat rond op het perron en dacht aan een gesprek met vrienden in het afgelopen weekend over het toenemend aantal pensioengerechtigden om ons heen. Hoewel dat voor ons alle vier nog niet aan de orde was vroegen wij ons wel af of we daarnaar verlangden of niet? Dat was voor mij een goeie gelegenheid om eens te onderzoeken waar mijn wrevel over het fenomeen pensioen vandaan kwam. Zo had ik mij die zaterdagochtend nog opgewonden over iemand in de NRC-rubriek ‘Spitsuur’ die zei dat hij ‘waarschijnlijk nooit écht met pensioen zou gaan, omdat hij altijd op een of andere manier een bijdrage zou willen blijven leveren aan de maatschappij’, terwijl het volgens mij in zijn huidige werk om weinig anders ging dan (veel) geld verdienen (‘met mooie dingen’). Misschien is mijn wrevel vooral ongemak. Ongemak over de luxe om na een leven van vervullend werk te hebben gehad, want dat is voor de meeste mensen in mijn bubbel het gelukkige geval, vrij te zijn mooie en maatschappelijke dingen te doen.
Want waren we niet al die tijd al vrij? Voor mijzelf geldt in ieder geval dat, behalve de periode dat ik als verpleegkundige werkte – ik weet nog goed hoe intens moe ik kon zijn als ik na een dienst terugfietste naar huis – ik eigenlijk nauwelijks de ervaring heb dat mijn werk me teveel kost, dus ik hóef helemaal niet met pensioen. En nee, dit is geen uitspraak van iemand die de ouderdom ontkent (ik verlang juist naar de ouderdom), en ook niet van een workaholic (ik ben juist van de alcohol afgestapt), maar van iemand die van de vraag van wat werk eigenlijk is haar werk heeft gemaakt. En onder meer daarvoor zat ik weer als een student in de collegebanken.
Het ging de hele week over de 15e-eeuwse Nicolaas van Cusa die vooral bekend staat als mysticus, maar eigenlijk ‘van alles was’: filosoof en theoloog, maar ook wiskundige, kerkhervormer, jurist en diplomaat. Zijn werk was zijn leven en hij is nooit met pensioen gegaan en ‘in het harnas gestorven’. Nu wil ik zeer zeker niet de waarde betwisten van een wet die het mogelijk maakt om op een bepaald moment te kunnen stoppen met werk dat (te)veel heeft gevraagd – ik denk bijvoorbeeld aan mijn opa die zijn leven lang zwoegde in zijn tuinderij en na zijn pensioen nooit meer in de zon wilde zitten – waar het mij om wel om gaat is dat wij onszelf als mensheid in een situatie hebben gebracht waarin rust iets is dat ná het werk komt, in plaats van erín. Dit is natuurlijk een hele lange geschiedenis die zich uitspreidt van een oorspronkelijk autarkisch bestaan naar een vrijwel volledig geïndustrialiseerde samenleving.
Hierin is ‘werk’, dat Hannah Arendt beschrijft als het vermogen van elk mens om vanuit wie hij of zij is werkelijk iets tot stand te brengen, veelal de trekken heeft gekregen van ‘arbeid’. Arbeid (labor) is veel mechanischer van aard, minder (in)gericht op de persoonlijke ontwikkeling en meer op efficiency en nut – en ja dat geldt inmiddels dus ook voor al die beroepen waarin de eigen creativiteit de bron zou moeten zijn in plaats van de al te bepalende weten regelgeving. En in díe ontstane situatie is het logisch om het verschil tussen inspanning en ontspanning óók bij wet te regelen, maar ondertussen dreigen we te vergeten dat leven en werken geen twee verschillende dingen hoeven te zijn.