Inhoudsopgave
2 Redactioneel nr 104
Harry Kunneman, Carla Kolner en Govert de Vrieze
Tweegesprek
10 Toekomstdieren, ecopopulisme en de grenzen van de politiek • Henk Manschot en Chris Julien
Column
26 Verdedigingswerk • Mieke Moor
Gezelschappelijke Psychiatrie
28 Een psychiatrie van gezellen • Gert Schout
39 Naar een biotische psychiatrie • Harry Kunneman
46 Reactie op ‘Mijn Broeders Hoeder’ van Gert Schout • Jaap Wijkstra
53 Gezelschappelijke Recensie • Alke Wisselink
Waardevolle Praktijken (18)
59 Twee advocaten die beweging willen creëren. Interview met Marieke Faber en Danny Hoekzema, advocaten bij New Paradigm • Antoinette Bolscher en Marcel de Rooij
Onderwijs
70 Schimmelscholing • Floor Basten
77 Waardengericht werken • Wouter Schenke en Henriette Hoogenkamp
Zorg
82 Ouderenzorg en systeem-psychodynamiek: Ervaringen en reflecties als mantelzorger • Sandra Schruijer
90 Zicht op morele verwonding • Bart Hetebrij
Humanisme ter discussie (6)
97 Secularisme en religisering. Interview met Rajeev Bhargawa • Atreyee Majumder
104 Mijn Humanisme; een pleidooi voor een levend humanisme • Olivier van Donk
Vrienden ruimden hun huis op omdat de dood aan hun deur was gekomen. Op een zondagmiddag knielde ik neer tussen de dozen vol boeken die ze veelal met spijt wegdeden. Daar vond ik De verre voortijd van Sebastian Barry. Twee zondagen later las ik in de vroege ochtend het boek ademloos uit.
Daarna zat ik lange tijd heel stil op het hoekje van de bank. Het licht kwam op, de eerste vogels roerden zich. Toen begon ik te schrijven. Een gepensioneerde Ierse politieman, wiens leven begon met katholiek misbruik, die later alsnog het geluk leerde kennen met zijn grote liefde June en hun twee kinderen, die hij daarna alle drie achter elkaar verloor aan de harde dood, rust uit in een rieten stoel in zijn kleine onderkomen met uitzicht op zee. Dan komen er twee oud-collega’s langs om raad in een lastige zaak en doemen oude demonen van schuld en boete op.
Als de veiligheid van een buurjongentje plots bedreigd wordt door diens gewelddadige vader, twijfelt de oude politieman (en vader, en kind) geen seconde om die over een afstand van 300 meter met één raak schot te doden. Daarmee redt hij het kind. Redt hij ook zichzelf. Dan keert de rust terug. Totaler dan ooit. Dit is het verhaal van Barry – in een notendop.
Maar waar was ik nou zo stil van? Dat lijkt misschien een ander verhaal. Het gaat over de betekenis van verdediging. Het gevecht tegen het kwaad. Ook mijn kwaad. En de vraag of er iets is tussen (terug)vechten en niets doen.
Het onderwerp is evident. We maken ons op om massief te investeren in de oorlogsindustrie. Het is een politieke uitvergroting van iets wezenlijk persoonlijks – denk ik. Hoe neem je het op tegen de dreiging van de dood? Of, (hoe) leg je je erbij neer? Hoe kan je (ik) tot ware rust komen? Het is een groot onderwerp, het zijn grote vragen. Uiteraard niet te beantwoorden in de krapte van de 1000 woorden van deze column. Maar het is een begin.
Van een boek in wording. Van een leven dat eindelijk wat dichter op het einde komt. De levensfase waar ik altijd het meest benieuwd naar ben geweest.
In alle grote geestelijke stromingen gaat het erom in de buurt van een wijsheid te komen die zich niet laat meten met wat we kunnen weten. Die alle rationaliteit te buiten gaat en daarom ongelooflijk lijkt, terwijl dat precies is waar geloven (ik gebruik liever het Engelse faith) over gaat. In de Chinese wijsheidsliteratuur is er één boek dat mij al lange tijd tart: De kunst van het oorlogvoeren van Sun Tzu.
Steeds grotere groepen wenden zich tot de psychiatrie in de hoop er verlichting te vinden voor hun angsten, somberheid, verwardheid, onzekerheden, ontremmingen, drukke gedrag of hun onmacht om zich te verhouden tot anderen. Een veel kleinere groep, met aanhoudende en meervoudige problemen waaronder psychiatrische, wordt al dan niet bewust in de steek gelaten of heeft de hoop opgegeven dat de psychiatrie nog iets voor hen kan doen. De pretenties van de psychiatrie, maar ook de af hankelijkheidsreproductie die gepaard gaat met een werkwijze waarin behandelaren als deskundige verschijnen in het leven van onzekere mensen, vormen mede de achtergrond voor de toeloop van de eerste groep naar dit werkveld en de afwending ervan van de tweede groep. Een andere verklaring voor de toeloop is dat meer en meer mensen de ontschuldigende uitwerking van een medisch-psychiatrische diagnose zoeken.
Het lukt niet om te voldoen aan de prestatiedruk en vinden in het psychiatrisch label manieren om de blamage ervan te verzachten. Overdiagnostiek en overbehandeling van de éne groep leidt echter tot onderzorg van de andere groep. Hoe kan dit begrepen worden? In dit artikel zoek ik hier een antwoord op en ook op de vraag: hoe een gezelschappelijke psychiatrie ruimte kan maken voor mensen met aanhoudende en meervoudige problemen waaronder psychiatrische. Voordat ik inga op die beide vragen leg ik eerst kort het begrip gezelschappelijkheid uit.
Gezelschappelijke psychiatrie verwijst naar een psychiatrie waar gezel en gezelschap elkaar vormen door samen te werken en samen te leren. Gezel en gezelschap vormen elkaar door het overdragen en voortzetten van ambachtelijk werk. Harry Kunneman, aan wie ik deze inzichten ontleen, is sterk beïnvloed door het werk van Richard Sennett en de manier waarop hij invulling geeft aan het begrip vakmanschap. Kunneman verbreedt deze ideeën over vakmanschap in zijn biotische filosofie1 naar alle levensvormen als bacteriën, bomen, schimmels of insecten met wie wij de aarde delen, want ook die verzetten ambachtelijk werk. We verschillen in veel opzichten van deze andere levensvormen – bioten zou Kunneman zeggen – maar wat we gemeen hebben met deze gezellen, is (1) dat we relaties aangaan en in wisselwerking leven met andere bioten, (2) dat we de kennis die we onderweg opdoen delen en overdragen aan nieuwe gezellen. Ik nodig de lezer uit om door deze bril te kijken naar de psychiatrie; als een vorm van onderwijs, er wordt immers een ambacht geleerd en overgedragen.
Hulpverleners en hulpvragers, zijn vanuit dit gezichtspunt beide gezellen die als metgezellen een ambacht leren, ook al hebben ze niet dezelfde beginsituatie of dezelfde leeropdracht. Omdat een gezelschappelijke psychiatrie draait om leren kijk ik kritisch naar alles wat leren bemoeilijkt, waaronder medicatie en contexten waar dwang en hiërarchie leren in de weg staan.
Bijna aan het einde van het beroemde fantasie-epos The Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien strompelen Frodo en Sam door het geblakerde landschap van Mordor. Ze herinneren zich niet meer hoe het voelt om met je voeten door het gras te lopen, het verse gras te ruiken. Ze brengen de Ring die de verdorven macht heeft om iedereen aan zich te onderwerpen naar de Doemberg, om deze te vernietigen. Frodo draagt zijn vervloekte last, en op zijn beurt draagt Sam Frodo.
Met veel interesse las ik Gert Schout zijn boek waarin hij pleit voor een gezelschappelijke psychiatrie. Mijn eerste associatie met gezelschappelijkheid is het Engelse fellowship, en bij fellowship denk ik vervolgens aan Tolkien met zijn ‘Fellowship of the Ring’, de titel van het eerst deel van zijn trilogie Lord of the Ring. Het linkje met de psychiatrie is dat ik me in 2016 zelf in allegorisch-atmosferische mentale landschappen bevond, onder andere in Mordor als Land van de Angst. De wereld waarin ik rond liep deed anders aan dan normaal, alsof ik een hoofdpersoon was in een spannende fantasiefilm. In psychose leef je als het ware in een eigen wereld, maar je ervaart toch ook wel gezelschap of fellowship, je kunt als het ware het hele reisgezelschap zelf optuigen, in de waanwereld bij elkaar opkloppen.
Ondertussen raak je het contact met de feitelijke aanwezigen om je heen wel kwijt, of dat contact komt in ieder geval sterk onder druk te staan. Ik heb in psychose gemerkt dat de mensen om mij heen niet zo ver met mij mee konden reizen als ik van hen vroeg.
Gezelschappelijkheid vat Schout op via Harry Kunneman, uit wiens denken hij sowieso veel put in het hele boek:
‘Gezelschappelijke relaties [zijn relaties] waarin mensen met ups en downs goed gezelschap proberen te zijn met en voor elkaar, en daarin, in het bijdragen aan en deel zijn van goed gezelschap, kunnen wortelen als persoon.’ (Kunneman, 2024, p. 5)
In de ‘gezelschappelijke psychiatrie’ die Schout in dit boek poneert:
‘..draait het niet om ziekte of stoornissen, maar om relationele bodemverrijking, waaruit handelingsvermogen kan ontstaan. De gedachte is dat wie van betekenis is voor anderen, steun tegemoet kan zien en minder kwetsbaar is. Het belang van interventies verschuift daarmee naar het in co-creatie tot stand brengen van weefsels van giften en wedergiften.’
In de Medisch psychiatrische Unit (MPU, de voormalige Paaz-afdeling) waar ik werd opgenomen, en waar ik vooral behandeld werd met antipsychotica, ervoer ik weinig gezelschappelijkheid met de hulpverleners. Het werd raar gevonden – als ‘te amicaal’ gerapporteerd – om medepatiënten op te zoeken in elkaars kamer, en we mochten elkaar aan de ontbijttafel niet helpen met het openen van een mini-jam-verpakking, als dat met de door medicatie en/of ouderdom trillende handen niet zo gemakkelijk lukte.
Eén van de mensen die mij zijn vriendschap bood in de periode kort na mijn psychose en opname in de psychiatrie was ervaringswerker Sibrand Hofstra. Daarnaast werd ik een tijdje gastvrouw bij herstelcentrum De Ruimte (tegenwoordig: Nexus), waar ik met mensen aan tafel gewoon kon kletsen over hoe het is om gesloten opgenomen te zitten. In de reguliere psychiatrie, bij de MPU en bij de grote ggz-organisatie in onze regio, namen ze mijn flyers van De Ruimte, inclusief mijn toelichting van de betekenis van deze plek voor mijn herstel weinig enthousiast in ontvangst. Ze leken niet te begrijpen wat daar gebeurde, wat de waarde is van mensen die elkaar helpen, die zich als peers, ja, bijna als brussen weer aan elkaar optrekken.
In het voorjaar van 2024 heb ik samen met studenten een nieuwe bijeenkomstenreeks opgezet op de Universiteit voor Humanistiek, genaamd café Mijn Humanisme. Tijdens deze bijeenkomsten wordt een inspirerende humanist geïnterviewd over diens humanisme en met name over hoe het humanisme deze persoon inspireert in het dagelijks leven en in belangrijke levenskeuzes. Het interview eindigt met een prikkelende vraag aan het publiek over iets waar de gast op dit moment in het leven mee worstelt. In het tweede gedeelte van de avond gaat het publiek in kleine groepjes met elkaar in gesprek over deze vraag. De avond eindigt met een korte terugkoppeling vanuit de groepjes naar de gastspreker wat voor antwoorden zij op deze vraag hebben gevonden. Dit alles vindt plaats in de kantine van de Universiteit voor Humanistiek (hierna UvH) die voor de gelegenheid wordt omgetoverd tot een gezellig café. In dit stuk zet ik uiteen waarom ik deze bijeenkomstenreeks heb opgezet, wat mijn ervaringen tot nu toe zijn en welke toekomstplannen ik heb. Daarbij behandel ik onder andere mijn visie op de koers van de UvH en de potentie die ik zie in het levensbeschouwelijk humanisme om mensen diepgaand te verbinden.
Waarom deze bijeenkomsten?
Bij de oprichting van deze bijeenkomstenreeks heb ik drie onderscheidende elementen geformuleerd waar achter elk van deze elementen redenen zitten waarom ik deze reeks heb opgericht. Ik loop ze één voor één bij langs. Allereerst: het humanisme wordt levend gemaakt en mensen kunnen uit de bijeenkomsten inspiratie halen voor hun dagelijks leven en/of belangrijke keuzes in het leven. Enerzijds is dit uitgangspunt geformuleerd omdat weinig studenten en medewerkers op de Universiteit voor Humanistiek (nog) een idee hebben wat het humanisme inhoudt en wat het kan betekenen voor hen.
En áls ze een idee hebben wat het humanisme inhoudt, lijkt het vooral iets abstracts te zijn voor hen, wat weinig te maken heeft met hun eigen leven. Met deze bijeenkomstenreeks wil ik aan hen, maar ook aan anderen, laten zien dat het humanisme als levensbeschouwing heel concreet kan zijn en richting kan geven aan je leven. Hierover zal ik later meer uitweiden.
Daarnaast heb ik dit uitgangspunt geformuleerd omdat het humanisme als inspirerende levensrichting steeds meer lijkt te verdwijnen op de UvH. Waar er voorheen verschillende denkers en schrijvers op de UvH waren die schreven over het levensbeschouwelijk humanisme, denk aan Joep Dohmen, Harry Kunneman, Hans Alma en Henk Manschot, zijn die tegenwoordig vrijwel verdwenen. De UvH begon ooit om de praktijk van geestelijk verzorgers meer wetenschappelijk in te bedden en om onderzoek te doen naar levensvragen en de vraag van de zinvolheid van het bestaan.
Grondlegger van de humanistiek, Jaap van Praag, omschreef deze nieuwe wetenschappelijke discipline als: de fenomenologische doordenking van de humanistische levensovertuiging. In de (promotie-)onderzoeken en boeken die tegenwoordig worden geschreven, is dit nauwelijks nog terug te vinden. De meeste onderzoeken, die overigens zeker waardevol zijn, zijn sociaalwetenschappelijk van aard en hebben weinig verbinding met de humanistisch levensbeschouwelijke identiteit van de universiteit. Ook merk ik dat steeds meer medewerkers nauwelijks een idee hebben wat het humanisme inhoudt en dat het voor hen weinig betekenis heeft dat ze op een levensbeschouwelijke, humanistische universiteit werken.
Beste mensen, het is mij een eer en een genoegen om vandaag bij te mogen dragen aan dit belangrijke congres. Het nieuwe perspectief dat Gert Schout heeft ontwikkeld, is niet alleen voor cliënten en hulpverleners van groot belang, maar heeft in mijn ogen ook een wijdere maatschappelijke betekenis. Daarom draag ik graag bij aan het verder uitbreiden en versterken van zijn belangrijke boodschap.
Daartoe knoop ik aan bij een centraal onderscheid in zijn boek: het verschil tussen het eerste en het tweede gebouw. Zijn boek draait zoals we weten om een verschuiving van een hiërarchisch gestructureerde psychiatrie naar een gezelschappelijke psychiatrie. Ik wil daaraan bijdragen door het ontwikkelen van conceptuele bruggen tussen de twee gebouwen. Die staan in het betoog van Gert pal tegenover elkaar. De enige verbinding ertussen is eigenlijk negatief. Door de dominantie van het eerste gebouw en de daarmee verbonden logica krijgt het tweede gebouw nauwelijks kans. Bovendien laat hij zien dat gezelschappelijk gerichte initiatieven in het tweede gebouw na kortere of langere tijd worden overgenomen door het eerste gebouw en steeds meer kenmerken daarvan krijgen opgedrongen.
In het licht daarvan wil ik een alternatief denkkader schetsen voor de biologische psychiatrie van waaruit bruggen zichtbaar worden tussen het eerste en het tweede gebouw. Die bruggen kunnen niet alleen cliënten helpen om de oversteek te maken naar het tweede gebouw, maar ook hulpverleners. Via die bruggen kunnen ze zich naar het tweede gebouw begeven en relevante kennis uit het eerste gebouw meenemen. Het alternatieve denkkader dat ik wil schetsen begint bij een simpele constatering, het feit dat de biologische psychiatrie inmiddels ver achterloopt bij actuele wetenschappelijke en culturele ontwikkelingen.
Er is een verschuiving nodig en mogelijk van een biologische naar een biotische psychiatrie. In het vervolg wil ik in drie stappen duidelijk maken wat die verschuiving naar een biotische psychiatrie inhoudt en afsluitend aangeven welke bruggen van daaruit geconstrueerd kunnen worden tussen het eerste en het tweede gebouw.
Drie stappen naar een biotische psychiatrie
1. De eerste stap naar een biotische psychiatrie hangt direct samen met de achterstand die de biologische psychiatrie de afgelopen dertig jaar conceptueel gezien heeft opgelopen. Ik beperk me tot twee cruciale ontwikkelingen die de biologische psychiatrie bijna geheel heeft gemist.
1A. De eerste ontwikkeling betreft de relationele wending die de afgelopen decennia heeft plaatsgevonden in een groot aantal wetenschapsgebieden en in de wijdere cultuur, variërend van de ecologie en de systeembiologie tot de primatologie, de sociologie en de psychotherapie. Kortweg gezegd houdt die relationele wending in dat het zwaartepunt verschuift van re-acties naar interacties en relaties.
Re-acties vinden plaats tussen dingen en objecten, zoals atomen en moleculen of tussen biljartballen, of tussen zwarte gaten en hun omgeving. Re-acties vertonen regelmatigheden en patronen en hun verloop is vaak voorspelbaar. Interacties en relaties daarentegen, zijn verbonden met het handelen van levende wezens, met het handelen van bioten zoals ik kortweg zeg. Levende wezens interacteren met dingen en gebeurtenissen en maken gebruik van de re-actiepatronen die zij waarnemen.
Geveld door een buikgriepje, maakte ik de aan huis gekluisterde tijd nuttig door mijn emailaccounts op te schonen. De honderden e-mails die ik destijds verstuurde aan medewerkers van het verzorgingshuis waar mijn moeder verbleef, trokken aan mij voorbij. Ik voelde weer de gevoelens van diepe frustratie, machteloosheid, boosheid en verdriet die kenmerkend waren voor die tijd. En schaamte, want dacht ik nou écht dat het ging werken als ik het zorgpersoneel dagelijks bestookte met mijn commentaar op niet geleverde diensten of niet nagekomen afspraken…? Nee, maar ik moest toch íets? Het ging om mijn móeder…!
In dit artikel deel ik mijn ervaringen met het zorgsysteem vanuit de rol van mantelzorger van mijn moeder, die jarenlang in (twee) verzorgingshuizen en tenslotte kortstondig in een verpleeghuis verbleef. Vervolgens plaats ik deze in een grotere context van wederzijds afhankelijke en in elkaar grijpende systemen (zorgteam, organisatie, familie) met bijbehorende dynamieken, en beschrijf ik hoe een en ander zich manifesteert in de relatie tussen cliënt, mantelzorger en zorgmedewerker. Dit baseer ik op mijn ervaring en kennis als organisatiepsycholoog, werkzaam vanuit een systeem-psychodynamisch perspectief. Dit perspectief probeert te begrijpen hoe (veelal destructieve) onderstromen en groepsdynamieken ontstaan in sociale systemen ten gevolge van de complexiteit van de taak met de bedoeling om deze bewust en hanteerbaar te maken (Vansina & Vansina-Cobbaert, 2008; Schruijer, 2013a).
Ik besluit mijn betoog met een aantal suggesties hoe, ondanks ongunstige omstandigheden en de zware, verantwoordelijke taak die ouderenzorg inhoudt, wonen en werken in precaire situaties, waarachtiger en gezonder (voor alle betrokkenen) kan worden.
Ervaringen als mantelzorger
Ik was blij dat ik voor mijn op leeftijd zijnde moeder met cognitieve klachten een verzorgingshuis kon vinden – eerst een tijdelijke plek en na een krap jaar verhuisde ze naar de locatie van onze voorkeur. Nietsvermoedend of eigenlijk behoorlijk naïef, dacht ik dat ik nu gezellig langs kon komen om koffie te drinken, hetgeen me trouwens ook verzekerd werd door de verantwoordelijke verzorgenden: ‘Uw rol is gewoon lekker koffie komen drinken. Wij zorgen voor de rest.’ Hoe anders bleek de realiteit zich te ontvouwen.
Het begon ermee dat ik ontdekte, pas na maanden, dat de tanden van mijn moeder niet werden gepoetst. Ik trok aan de bel, in de verwachting dat het vanaf dat moment zou zijn opgelost. Nee dus. Het bleek vele gesprekken te vergen opdat dagelijkse gebitsverzorging in het zorgproces werd verankerd, hetgeen trouwens geen garantie bleek voor de daadwerkelijke uitvoering ervan. Een uitzonderlijke onregelmatigheid, dacht ik. Na een jaar verhuisde mijn moeder naar het tweede verzorgingshuis. Dit huis stond goed te boek.
Maar de eerste barstjes openbaarden zich alras. Hoe meer ik me in de geboden zorg verdiepte, hoe groter de barsten werden, en des te meer ik me met de zorg ging bemoeien. Een greep uit de vele gebeurtenissen: mijn moeder werd niet opgehaald voor het warme middageten, haar besmeurde lakens werden niet verschoond, haar nagels niet (nooit) geknipt, haar tanden onregelmatig gepoetst, ze verbrandde in de zomerzon, haar medicatie werd vergeten, de verkeerde medicatie werd gegeven en voorgeschreven medicatie niet tijdig stopgezet, de badkamervloer en WC waren vuil, beperkt houdbare producten werden niet teruggezet in de koelkast, een tochtend raam bleef ongerepareerd (maandenlang, in de winter), verzuimd werd het pols- of halsalarm om te hangen, steunkousen werden niet aangetrokken.
In dit artikel bespreek ik enkele vragen die bij me opkwamen toen ik het boek ‘Mijn broeders hoeder’ van Gert Schout las. Een boek dat me aanspreekt en me tot verder nadenken aanzet.
‘Mijn broeders hoeder’ is een inspirerende zoektocht naar een andere, meer relationele psychiatrie. Schout noemt dat een gezelschappelijke psychiatrie. Een aansprekend begrip. Hij beschrijft de huidige psychiatrie in twee ideaaltypische uitvergrotingen van de werkelijkheid aan de hand van twee gebouwen. In het eerste gebouw is de relatie hulpvragerhulpverlener meer verticaal en in het tweede gebouw meer horizontaal. Je zou ook kunnen zeggen: in het eerste gebouw gaat men uit van complementariteit (Benjamin, 2018: ‘Only one can live’) en in het tweede gebouw van intersubjectiviteit (Benjamin: ‘Beyond only one can live’).
Het eerste gebouw is geworteld in onze neoliberale datamaatschappij waarin de relaties interactioneel zijn geworden (voor wat hoort wat, ‘zero-sum’, et cetera). Het tweede gebouw wil een voedingsbodem zijn voor gezamenlijkheid en wil daarmee het handelingsvermogen vergroten van zowel degene die is vastgelopen als van degene die gezelschappelijkheid biedt. Het handelingsvermogen is het vermogen om enerzijds invloed uit te oefenen op je relationele omgeving (actorschap) en anderzijds je door die relationele omgeving te laten veranderen. In het eerste gebouw heerst het ziektemodel en in het tweede gebouw de relatie en de gezelschappelijkheid. In het eerste gebouw moet iemand genezen, in het tweede gebouw wordt iemand geaccepteerd zoals hij is. Ik herken als psychiater zeer de beschrijving van Schout van het eerste gebouw, waarin het relationele het onderspit delft. Dat wil zeggen het relationele dat ik in navolging van Benjamin (2018) intersubjectief noem: vanuit voldoende autonomie de ander als een autonome ander her- en erkennen in tegenstelling tot het complementaire, waarin de ander een rol moet vervullen ten behoeve van het in stand houden van het zelf.
Schout gaat de complexiteit van zijn onderwerp niet uit de weg. Integendeel, hij probeert de ontwikkelingen binnen de psychiatrie op diverse niveaus te duiden: individueel, sociaal, filosofisch, politiek. Herkenbaar voor mij is het geworstel met deze complexiteit terwijl je tegelijkertijd door de bomen toch het bos wilt blijven zien. In het boek laat hij zich zien als een persoon en professional, op zoek naar het relationele.
Hij verbindt dit met zijn eigen persoonlijke geschiedenis. ‘Mijn broeders hoeder’ is daarmee een goed voorbeeld van de ‘relational turn’. Een psychologische, sociale en filosofische wending naar het relationele die vooral de laatste 100 jaar als ontwikkeling steeds duidelijker wordt, maar al vanaf het begin van de menselijke geschiedenis gaande is (Wijkstra 2022, 2025), soms in progressieve en soms in regressieve zin, maar over langere tijd gezien progressief richting meer innerlijke vrijheid (innerlijke democratie) en sociale vrijheid (sociale democratie).
Gert Schout wenst, zoals ik het begrijp, deze relational turn in de psychiatrie omdat hij er van overtuigd is dat dit mensen weer betrekt bij de maatschappij en meer handelingsvermogen mogelijk maakt. Het ontstaan van een gezelschappelijke psychiatrie is geen toeval. Het past in een veel breder proces dat al lang gaande is. Dat zou hoop kunnen geven: ooit zal het er waarschijnlijk van komen.
Een nieuwe lente is gearriveerd, samen met een nieuw nummer van Waardenwerk. Voordat de inhoud van dit gevarieerde voorjaarsnummer aan bod komt, wil ik graag twee belangrijke veranderingen memoreren die ons tijdschrift dit jaar ondergaat. De eerste verandering betreft de uitbreiding van de hoofdredactie tot een team van drie leden. Met ingang van dit nummer vormen onze redacteuren Carla Kolner en Govert de Vrieze samen met ondergetekende, de hoofdredactie van Waardenwerk. In nauwe samenwerking met de overige leden van de redactie, zullen wij drieën de komende jaren verantwoordelijk zijn voor de inhoudelijke hoofdlijnen en het beleid van dit tijdschrift, als voorheen ondersteund door Richard Brons als eindredacteur.
We hebben om meerdere redenen tot deze uitbreiding besloten. In de eerste plaats omdat Carla Kolner en Govert de Vrieze, vanuit hun langjarige ervaring en hun bijzondere expertise op het gebied van respectievelijk het sociale domein en de vernieuwing van het onderwijs, een belangrijke inhoudelijke impuls kunnen geven aan het groeien en bloeien van dit tijdschrift. In de tweede plaats omdat met deze verjonging ook de continuïteit van Waardenwerk beter gewaarborgd zal zijn. En tenslotte omdat drie keer per jaar een nummer ‘rond krijgen’ een hele klus is en meer handen lichter werk maken.
De tweede verandering die we dit jaar door gaan voeren staat eveneens in het teken van vernieuwing.
Met technische en inhoudelijke steun van Erik van Gameren, werkt een projectgroep uit de redactie momenteel hard aan het ontwikkelen van een digitale versie van ons tijdschrift, die vanaf de vroege herfst de papieren versie zal gaan complementeren. De digitale versie zal vooral kortere bijdragen gaan omvatten die dichter kunnen aansluiten op de actualiteit: interviews, columns, blogs & signalementen en mogelijk op termijn ook podcasts. De langere, dieper gravende artikelen zullen in de papieren versie van ons tijdschrift blijven verschijnen. Onze abonnees krijgen exclusief toegang tot het afgeschermde deel van onze site, maar een deel van de digitale versie zal deels ook vrij toegankelijk zijn, zodat de bijzondere inhoud van Waardenwerk (althans voor een deel) door een veel breder publiek gelezen zal kunnen worden en hopelijk tot inspiratie leiden voor hun eigen waardevolle praktijken.
Zoals we allemaal weten, is in onze tijd het werk maken van ethische en morele waarden in de dagelijkse praktijk belangrijker dan ooit. Wij hopen met deze twee vernieuwingen waardenwerk nog beter te kunnen voeden en stimuleren en zien uit naar kritische reacties en feedback van onze lezers bij het verder verbeteren daarvan.
In het vervolg van dit redactioneel bieden de twee nieuwe hoofdredacteuren zicht op hun achtergrond en ideeën, waarna we afsluiten met een kort signalement van de verschillende bijdragen aan dit boeiende voorjaarsnummer van Waardenwerk.
Van 21 november 2025 tot 9 augustus 2026 is in het Nieuwe Instituut te Rotterdam de expositie FUNGI. Anarchistische ontwerpers te bewonderen. Aan deze expo is een vijftal manifesten verbonden. Omdat geen daarvan gaat over onderwijs, heb ik daar zelf een manifest over geschreven: SCHIMMELSCHOLING. Wat mij opvalt in het gesprek over onderwijs, is dat het vaak gevoerd wordt vanuit de binnenkant, dat wil zeggen door de mensen die erbij betrokken zijn. In dit manifest kies ik voor een perspectief vanaf de buitenkant. Als school een van de varianten is waarmee de menselijke soort haar intergenerationele samenwerking vormgeeft om de soort gaande te houden, wat zien we dan? En hoe succesvol is ‘school’ dan voor dit doel?
De mens is hypersociaal. Onze intrasoortelijke bemoeienis is groot. Deel daarvan is de intergenerationele samenwerking om de soort gaande te houden. Doordat er nu eenmaal variatie is in creativiteit waarmee gemeenschappen vraagstukken oplossen, zijn er veel varianten van intergenerationele samenwerking te vinden. Toch kunnen we er grofweg twee onderscheiden.
In de eerste en oudste is intergenerationele samenwerking integraal in gemeenschappen geregeld. Menselijke gemeenschappen zijn lokaal ingebed in meer-dan-alleen-mensen samenlevingen. Hoe zij hieraan deelnemen opdat ze hierin zelf kunnen voortbestaan, vormt de kern van de lokale kennis die van generatie op generatie wordt doorgegeven. Deze kennis gaat over hoe mensen met andere wezens de werelden maken die ze kunnen bewonen.
Hieraan ten grondslag ligt de ontdekking van een relatief eenvoudig gegeven, namelijk dat je je soort gaande houdt door leven gaande te houden en je in de meer-dan-alleen-mensen wereld nuttig te maken.
In de tweede, jongere variant is intergenerationele samenwerking geregeld via wat bekend staat als ‘school’. De eerste scholen stammen uit de Antieke Griekse tijd. Historisch loopt geen rechte lijn van toen naar nu. Ook zijn in de tussentijd en nu nog oude varianten van intergenerationele samenwerking aan te wijzen. Desondanks is op het Europese continent vanaf een bepaald moment die Griekse scholè als toonbeeld van intergenerationele samenwerking hernomen en via kolonisering en zendingswerk verder over de wereld verspreid.
Ondanks variatie is er ook een dubbele constante in ‘school’: leren 1) wordt gearrangeerd in een van de rest van de gemeenschap afgescheiden mentale ruimte die fysiek wordt gemaakt met eigen locaties en taken, en 2) is gericht op functioneren binnen de louter- menselijke samenleving, hetzij als a) volwassene in het functioneren van 1, b) toekomstige volwassene voor een leven na en deels bepaald door 1, c) volwassene die voor werk of hobby terugkeert naar 1. Ander leren is mogelijk maar dan hebben we het niet over ‘school’.
Dit interview maakt deel uit van de serie ‘Scholars in Conversation’, die interviews omvat met academici uit verschillende disciplines en regio’s. Onder leiding van faculteitsleden van de National Law School van de India University in Begaluru, wordt in deze gesprekken het werk belicht van vooraanstaande stemmen in hun vakgebied, met als doel om academische inzichten in te brengen in het publieke debat.
In dit kader sprak dr. Atreyee Majumder met de vooraanstaande politiek theoreticus en hoogleraar Rajeev Bhargava. Hij ging met hem in gesprek over zijn oeuvre over secularisme, het verschil in religieus leven tussen Azië en het Westen, en zijn recente boek over ‘religisering’. Dit gesprek werd op video opgenomen; hieronder volgt een bewerkte versie van het transcript.
Welkom, professor Bhargava, bij deze editie van ‘Scholars in Conversation’. Ik lees uw werk al sinds ik student was aan de NLSIU en het is een voorrecht om vandaag met u in gesprek te gaan. In uw recente ‘KS Vyas Memorial Lecture’ introduceerde u het woord ‘religisering’ en maakte u een onderscheid tussen dit begrip en communalisme. U noemde dit ook tijdens de Indian Political Thought Conference. Kunt u iets meer vertellen over de achtergronden van dit begrip?
Ik wil een onderscheid maken tussen een religieus- filosofische ervaring of perspectief en religie als zodanig. Religies-filosofische ervaringen en perspectieven bestaan al duizenden jaren in de wereld en op het subcontinent. In India waren ze bijvoorbeeld verankerd in de Vedische verbeelding. Veel explicieter nog waren ze aanwezig in het Upanishadische denken, in het boeddhisme en het jaïnisme, en zelfs in het latere brahmaanse denken. Ik wil deze ervaringen en perspectieven onderscheiden van wat ik ‘religie’ noem. Dit idee van religie heeft drie kenmerken.
Ten eerste is het afhankelijk van een zeer scherp onderscheid tussen waar en onwaar: ware doctrines en valse doctrines, ware goden en valse goden. Daarom zijn er ware religies en valse religies, toch? Dit onderscheid is niet in alle religieus-filosofische ervaringen aanwezig. Een groep, of alle mensen binnen een gemeenschap die een reeks religieuze overtuigingen aanhangen, zijn ervan overtuigd dat hun perspectief het enige ware perspectief is en dat alle andere perspectieven onwaar zijn. En hierdoor ontstaat er een zeer scherpe scheiding tussen de eigen groep en andere groepen, in die mate dat je mensen binnen je eigen groep als goede vrienden kunt zien en mensen in andere groepen als vijanden. Dit alles is gebaseerd op het idee dat jij de waarheid in pacht hebt en alle andere ideeën onwaar zijn, dat de mensen binnen de groep moeten worden beschermd tegen die onwaarheid. De verdediging van de eigen groep gaat gepaard met een aanval op andere groepen. Dat is een kenmerk dat ik uiterst belangrijk vind voor dit idee van religie. Religieuze en filosofische ervaringen en perspectieven wil ik daarvan onderscheiden.
Het tweede kenmerk van religie is dat het totaliserend is. In andere, niet-totaliserende religieuze en filosofische perspectieven is er altijd een onderscheid tussen iemands bestaansethiek en normen voor sociale interactie. Om dit te vereenvoudigen, neem ik een voorbeeld uit het Zuid-Aziatische subcontinent.
Mensen die in dezelfde regio wonen, kunnen verschillende bestaansethiek volgen, sommigen kunnen steunen op vele goden en godinnen, sommigen op slechts één god. En weer anderen hebben misschien een perspectief dat helemaal niet op god steunt, toch? Bijvoorbeeld boeddhisten en Jainisten – hun oorspronkelijke filosofieën hadden geen plaats voor god. Veel versies van het Vedische brahmanisme kenden vele goden en godinnen.
Dit ‘polytheïsme’ is ook als element opgenomen in het boeddhisme en wordt een centraal kenmerk van het Puranisch Hindoeïsme. En binnen wat later het hindoeïsme werd, zijn er enkele groepen die slechts in één god geloven, en dit idee is ook aanwezig in de Indiase filosofie.
In januari 2027 verschijnt het nieuwe boek van ecofilosoof en Extinction Rebellion activist Chris Julien met de titel Toekomstdieren. Ecopopulisme en de grenzen van de politiek. Ik heb het boek uiteraard nog niet gelezen maar mijn nieuwsgierigheid is meer dan normaal. Ik kende Chris niet. Tot op een vroege vrijdagmorgen ik het volgende mailtje ontving: Beste Henk, Zojuist luisterde ik jouw mooie podcast met lijfspraak. Een genoegen en een ontmoeting die nooit te laat kan zijn. Ik leg hierbij graag het contact. Met goede groet, Chris.
Mijn dag kon niet meer stuk. Wie is die man, dacht ik? En spoedig ontdekte ik tot mijn schande dat Chris Julien niet alleen Alledaags activisme heeft gepubliceerd, een heel origineel en strijdbaar boekje, maar als activist en XR woordvoerder, en vooral als mens zoals u en ik een eigen geluid laat horen in het klimaatdebat. Hij probeert een nieuw soort taal uit te vinden om het huidige ecologische tijdsgewricht te ontregelen. ‘Wanneer je te veel containerbegrippen gebruikt die met links of rechts worden geassocieerd, ontglipt je de alledaagsheid en kom je in een soort meta laag terecht’ zei hij in een interview. In zijn boeken probeert Chris Julien actief dit soort taal te mijden omdat het klimaattijdperk een andere taal, een ander referentiekader en ook een nieuwe visie nodig heeft. Laat dan nu precies de inzet zijn van zijn nieuwe boek. Daarover zegt hij in het interview: ‘Met Toekomstdieren staat de herkenning van de schoonheid en vitaliteit van het leven om ons heen op de voorgrond. Gaandeweg werd me duidelijk hoe al het leven om ons heen aandacht in zich draagt, een wil heeft en een eigen pad bewandelt, net als elk persoon. Dat besef is de vonk die het boek bezielt’. De redactie van Waardenwerk bood ons de gelegenheid om daarover al voor het verschijnen van het boek in gesprek te gaan.
Henk: Je bent een nieuw boek aan het schrijven en dat heb je als titel gegeven Toekomstdieren, ecopopulisme en de grenzen van de politiek.
Waarom deze titel?
Chris: Het boek gaat over ecologisch populisme, over een vorm van grensoverschrijdende politiek die, denk ik, veelbelovend kan zijn in deze tijd. Maar het zou geen populisme zijn als het zich niet op een aantrekkelijke en emotionele manier zou presenteren. Met ‘Toekomstdieren’ staat de herkenning van de schoonheid en vitaliteit van het leven om ons heen op de voorgrond. Gaandeweg werd me duidelijk hoe al het leven om ons heen aandacht in zich draagt, een wil heeft en een eigen pad bewandelt, net als elk persoon. Dat besef is de vonk die het boek bezielt en dat moest dus in de titel, op de voorkant.
Henk: Laten we beginnen bij jouw toch wel verrassende ideeën over populisme. Je lijkt te beweren dat je het populisme nodig hebt om het populisme te verslaan.
Chris: In het boek steek ik van wal met een hoofdstuk over het einde van de controle. We hebben de afgelopen vijf honderd jaar een notie van onszelf ontwikkeld die stelt dat wij met een objectief wereldbeeld en wetenschappelijke middelen de wereld kunnen kennen, voorspellen en dus beheersen. Maar dat levert ook de nodige blinde vlekken op en heftige botsingen, recent tussen het uiterst rechtse populisme en de meer technocratische status quo. De bestuurlijk aangelegde, redelijke heren van weleer hebben net als meer eigentijdse politici geen antwoord kunnen formuleren op die populisten.
Ook wetenschappers die zich met populisme bezig houden zijn niet veel verder gekomen dan te benadrukken hoe we de democratische rechtsstaat moeten bestendigen en de waarde daarvan opnieuw naar voren moeten brengen. Dat is weinig om in stelling te brengen tegenover die kolkende, opzienbarende, controversiële energie van het populisme. Deze emotionele politiek komt nu naar boven en verzet zich tegen een bijna impliciet rationele houding die zich de juiste, de redelijke beschouwt, als datgene wat ons verder moet brengen. Deze houding wordt bestreden door het populisme en dat vind ik er interessant aan.
Ruim anderhalf jaar geleden stond in de NRC een column van Folkert Jensma over lichtpuntjes op zijn terrein, het recht en de rechtsstaat (30 december 2024). Hij schrijft: ‘de rechtsstaat drijft op idealisme en engagement van individuen met hart voor de democratie, die durven innoveren.’ In dat kader brengt hij onder meer een bezoek aan New Paradigm, een recent gestart advocatenkantoor: twee advocaten, in de dertig, die voor deze nieuwe start ‘beter betaalde banen en partnerschappen aan de Zuidas’ hebben opgegeven, zoals Jensma schrijft. Zij vinden hun missie belangrijk en vertalen dit in de opzet van hun kantoor (steward-owned en zonder winstoogmerk) en in de inhoud van hun werk (‘kijken waar ze met het recht in de hand beweging in de goede richting kunnen veroorzaken’).
Getriggerd door deze column hebben we Marieke Faber en Danny Hoekzema uitgenodigd voor een interview. Op een koude februaridag bezoeken we hen op hun kantoor, gehuisvest in een bedrijfsverzamelgebouw in hartje Amsterdam. Enthousiast en genuanceerd vertellen ze over New Paradigm en de dilemma’s die ze bij het werken aan hun missie tegenkomen.
De start
Marieke en Danny, jullie zijn nu ongeveer anderhalf jaar geleden gestart met New Paradigm. Jullie hebben allebei eerst elders gewerkt; wat heeft jullie ertoe heeft gebracht om New Paradigm te starten?
DH: Na mijn rechtenstudie ben ik begonnen bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daar waren we bezig met de vraag: hoe ziet de wereld er over 30 jaar uit? Op een gegeven moment dacht ik: prima, die stip op de horizon, maar wat gaan we vandààg doen om daar te komen? Bij die kortere termijn past de advocatuur goed, dus al vrij vlot, na twee jaar bij de overheid, heb ik de stap naar de advocatuur gezet. In het advocatenkantoor waar ik werkte, zat ik in het privacy-team. De oprichter van het kantoor vroeg mij op een gegeven moment om met hem een kantoor op te richten in Brussel. In de EU lagen op dat moment de grote uitdagingen op tafel. Ik ben altijd ambitieus geweest in mijn werk en ben ondernemend, dus daar ben ik in gestapt.
We deden dat vanuit het idee: hoe kun je als advocatenkantoor zoveel mogelijk bijdragen aan de grote maatschappelijke opgaves? Dat was voor mij wel een nieuwe insteek; ik was tot dan toe vooral bezig met de inhoudelijke ontwikkelingen op mijn rechtsgebied en met mijn eigen carrière – hoe groei je door naar senior-advocaat en partner, dus de meer traditionele paden. Ik had eigenlijk nooit echt nagedacht over mijn maatschappelijke rol als advocaat. Toen we het avontuur in Brussel aangingen ben ik gaan nadenken: wat kùn je nu eigenlijk als advocaat? Je kunt inhoudelijk bijdragen, je kunt inhoudelijk vertragen, maar ik realiseerde me op dat moment ook: hoe gaan wij eigenlijk om met alle ruimte die wij hebben als advocaat om extra bij te dragen? Bijvoorbeeld: je kunt als advocaat best goed geld verdienen, wat ga je daarmee doen? Keer je dat uit aan de partners van het kantoor of gebruik je de middelen om maatschappelijke doelen te ondersteunen? Dat soort gesprekken had ik toen op kantoor. Daarop werd aangegeven dat mijn doelen te ambitieus waren. Want mensen hebben hun leven en financiële huishouding ingericht op de huidige situatie.
Tegelijkertijd groeide bij mij het besef dat de vraag hoe juristen positief kunnen bijdragen aan de maatschappelijke opgaven van onze tijd, niet door individuele kantoren of organisaties beantwoord kan worden — dat is een uitdaging die we als beroepsgroep samen moeten aangaan. Ik wilde daar ruimte voor maken. Toen ik die twee dingen naast elkaar legde, werd in een goed gesprek al snel duidelijk dat ik misschien een andere weg moest inslaan. Dat is het moment geweest waarop ik besloot dit kantoor te starten.
In zijn artikelenreeks voor Waardenwerk (92 en 96) spreekt Govert de Vrieze over de ongekende tijden waarin we leven. Hij gaat in zijn beschouwingen over ‘Onderwijs voor een ongekende toekomst’ in op het omgaan met ingewikkelde kwesties zoals polarisatie in de samenleving, economische ongelijkheid en klimaatverandering. Deze thema’s kunnen leiden tot actiegerichtheid bij schoolleiders, maar De Vrieze roept juist op tot vertraging en tot het leren omgaan met onzekerheden. Zijn oproep is boeiend en prikkelend, maar het roept ook de vraag op hoe deze vertraging te realiseren is. Hoe zorg je dat je als schoolleider met je school niet meegesleept wordt door de actualiteit, maar ook niet verzandt in passiviteit? In dit artikel bespreken we hoe aandacht voor waarden daarbij houvast kunnen bieden.
Waarden geven richting
De tijd dat de zuilen de koers van de scholen in ons land bepaalden is voorbij. De zuilen bestaan weliswaar nog, maar binnen die zuilen zijn de verschillen groot. Dat maakt dat scholen de behoefte voelen om zowel voor zichzelf als naar buiten toe te verhelderen waar zij voor staan, wat hun missie en visie is. Op websites van scholen is te zien dat zij daarbij kiezen voor waarden zoals veiligheid, aandacht of moed. Met deze waarden leggen ze de verbinding met hun missie en visie. Zulke waarden zijn vaak tot stand gekomen na gesprekken met teamleden, ouders en andere betrokkenen bij de school. De schoolleider heeft hierin een faciliterende en verbindende rol en geeft mede richting aan de koers van de school. We hebben de afgelopen jaren in ons lectoraat ‘Leiderschap in waardengericht werken’ ervaren dat waarden richting geven als een kompas. Dat komt omdat waarden zoals veiligheid en autonomie helpen om betekenis en sturing te geven aan gedrag, gebeurtenissen en veranderingen. Een waardengerichte benadering kan bijdragen aan bewustwording en verbinding. Dit geldt zowel op persoonlijk vlak als op organisatieniveau: welke waarden draag je zelf uit als onderwijsprofessional en welke gedeelde waarden komen naar voren als je echt luistert naar elkaar? Daarbij is afstemming van waarden nodig om tot verbinding te komen tussen collega’s.
De noodzaak om deze verbinding te zoeken is duidelijk te voelen als collega’s, leerlingen of ouders tegengestelde meningen hebben en steeds verder van elkaar af komen te staan. Dat veroorzaakt spanningen waarin onderliggende waarden op het spel komen te staan.
Onlangs spraken wij in onze podcastserie Van Waarden Weten met een schooldirecteur. Zij vertelde dat ze aan de praat geraakt was met twee leerlingen. De ene leerling was sterk betrokken bij Gaza, de andere bij Israël en dat veroorzaakte ruzie en spanning. In haar gesprek met de twee leerlingen gaf ze aan dat meningsverschillen er mogen zijn, en dat het ook best even kan botsen, maar ze zei ook: ‘De strijd daar moet niet leiden tot strijd hier in school’. In de manier waarop zij hierover vertelde, klonken haar waarden door, maar zij noemde deze zelf niet. Toen wij daarover met haar doorpraatten, vertelde ze hoe belangrijk de waarde rechtvaardigheid voor haar is. In haar school betekent die waarde dat ze iedereen de kans geeft om zich uit te spreken. Tegelijk vormen de gedragsregels het kader waarbinnen meningsverschillen mogen worden geuit. Door hierover door te praten, realiseerde ze zich dat dit past bij twee andere belangrijke schoolwaarden: veiligheid en ontmoeting. Zo’n gesprek maakt dat waarden meer gaan leven. Hoe sterker het waardenbewustzijn is, hoe meer houvast en richting ze kunnen geven.
Dat beroepen als politieagent, militair, brandweerman of vrouw en ambulancemedewerker een groter risico lopen op psychische klachten dan menig ander beroep is veelvuldig in de media te lezen en te horen. Dat deze categorie mensen naast psychische klachten ook moreel verwond kunnen raken is minder algemeen bekend. In dit artikel wordt dieper ingegaan op het fenomeen morele verwonding bij politieagenten tijdens de uitvoering van hun werk. Naast een theoretische reflectie wordt ook een voorbeeld van een waardevolle praktijk gegeven om met politiemensen te werken die tijdens hun werk moreel verwond zijn geraakt.
Inleiding
Het concept van morele verwonding is nog niet zo bekend. Het concept roept veel vragen op en ligt dicht aan tegen het meer bekende begrip van posttraumatische stressstoornis (ptss). Toch zijn er naast overeenkomsten ook verschillen tussen beide vormen van psychische klachten na een heftige of traumatische gebeurtenis. Morele verwonding uit zich op verschillende manieren en het begrip roept ook veel vragen op. Want: moeten de klachten die ermee gepaard gaan gezien worden als een psychische aandoening of als iets dat gewoon bij het leven hoort? En wat is de rol van de organisatie bij het voorkomen of aanpakken ervan: hoe gaat de politieorganisatie met moreel verwonde collega’s om? Welke zorg- en hulpverleners staan deze beschadigde mensen bij en hoe dan?
In de volgende paragraaf wordt eerst dieper ingegaan op wat morele verwonding is en worden overeenkomsten en verschillen met ptss belicht.
Wat is een morele verwonding
In bijna alle artikelen m.b.t. het onderwerp morele verwonding wordt de meest geciteerde omschrijving van de Amerikaanse psycholoog Brett Litz gebruikt. Litz beschrijft morele verwonding als de voortdurende psychische, biologische, spirituele, gedragsmatige en sociale impact van het zelf verrichten van, niet kunnen voorkomen van, of getuige zijn van handelingen waarin diepgewortelde morele overtuigingen en verwachtingen worden geschonden. Deze definitie omschrijft het ontstaan van moral injury, maar niet zozeer de aard en de gevolgen daarvan. De gevolgen van morele verwonding of beschadiging uiten zich vaak in diepgevoelde en verstorende gevoelens van schuld en schaamte bij degene die moreel verwond of beschadigd is geraakt. In de slipstream van schuld en schaamte treden ook wel wroeging, zelf haat, woede en walging op. Morele verwonding is de uiterste vorm van morele beschadiging. Daaraan voorafgaand worden ook morele frustratie en morele stress genoemd.
Bij militairen en politiemensen komt vaak een combinatie voor van het posttraumatisch stresssyndroom (ptss) en morele verwonding. Er is echter een verschil tussen beide vormen van verwonding. Ptss gaat vooral gepaard met gevoelens van angst – angst die optreedt bij (al dan niet dwangmatige) herbeleving van levensbedreigende situaties waarin men heeft verkeerd. Bij morele verwonding gaat het niet in de eerste plaats om een herbeleving van levensbedreigende situaties maar om morele verstoring. De symptomen van morele verwonding lijken op die van ptss. Toch is er een duidelijk verschil.