Dit interview maakt deel uit van de serie ‘Scholars in Conversation’, die interviews omvat met academici uit verschillende disciplines en regio’s. Onder leiding van faculteitsleden van de National Law School van de India University in Begaluru, wordt in deze gesprekken het werk belicht van vooraanstaande stemmen in hun vakgebied, met als doel om academische inzichten in te brengen in het publieke debat.
In dit kader sprak dr. Atreyee Majumder met de vooraanstaande politiek theoreticus en hoogleraar Rajeev Bhargava. Hij ging met hem in gesprek over zijn oeuvre over secularisme, het verschil in religieus leven tussen Azië en het Westen, en zijn recente boek over ‘religisering’. Dit gesprek werd op video opgenomen; hieronder volgt een bewerkte versie van het transcript.
Welkom, professor Bhargava, bij deze editie van ‘Scholars in Conversation’. Ik lees uw werk al sinds ik student was aan de NLSIU en het is een voorrecht om vandaag met u in gesprek te gaan. In uw recente ‘KS Vyas Memorial Lecture’ introduceerde u het woord ‘religisering’ en maakte u een onderscheid tussen dit begrip en communalisme. U noemde dit ook tijdens de Indian Political Thought Conference. Kunt u iets meer vertellen over de achtergronden van dit begrip?
Ik wil een onderscheid maken tussen een religieus- filosofische ervaring of perspectief en religie als zodanig. Religies-filosofische ervaringen en perspectieven bestaan al duizenden jaren in de wereld en op het subcontinent. In India waren ze bijvoorbeeld verankerd in de Vedische verbeelding. Veel explicieter nog waren ze aanwezig in het Upanishadische denken, in het boeddhisme en het jaïnisme, en zelfs in het latere brahmaanse denken. Ik wil deze ervaringen en perspectieven onderscheiden van wat ik ‘religie’ noem. Dit idee van religie heeft drie kenmerken.
Ten eerste is het afhankelijk van een zeer scherp onderscheid tussen waar en onwaar: ware doctrines en valse doctrines, ware goden en valse goden. Daarom zijn er ware religies en valse religies, toch? Dit onderscheid is niet in alle religieus-filosofische ervaringen aanwezig. Een groep, of alle mensen binnen een gemeenschap die een reeks religieuze overtuigingen aanhangen, zijn ervan overtuigd dat hun perspectief het enige ware perspectief is en dat alle andere perspectieven onwaar zijn. En hierdoor ontstaat er een zeer scherpe scheiding tussen de eigen groep en andere groepen, in die mate dat je mensen binnen je eigen groep als goede vrienden kunt zien en mensen in andere groepen als vijanden. Dit alles is gebaseerd op het idee dat jij de waarheid in pacht hebt en alle andere ideeën onwaar zijn, dat de mensen binnen de groep moeten worden beschermd tegen die onwaarheid. De verdediging van de eigen groep gaat gepaard met een aanval op andere groepen. Dat is een kenmerk dat ik uiterst belangrijk vind voor dit idee van religie. Religieuze en filosofische ervaringen en perspectieven wil ik daarvan onderscheiden.
Het tweede kenmerk van religie is dat het totaliserend is. In andere, niet-totaliserende religieuze en filosofische perspectieven is er altijd een onderscheid tussen iemands bestaansethiek en normen voor sociale interactie. Om dit te vereenvoudigen, neem ik een voorbeeld uit het Zuid-Aziatische subcontinent.
Mensen die in dezelfde regio wonen, kunnen verschillende bestaansethiek volgen, sommigen kunnen steunen op vele goden en godinnen, sommigen op slechts één god. En weer anderen hebben misschien een perspectief dat helemaal niet op god steunt, toch? Bijvoorbeeld boeddhisten en Jainisten – hun oorspronkelijke filosofieën hadden geen plaats voor god. Veel versies van het Vedische brahmanisme kenden vele goden en godinnen.
Dit ‘polytheïsme’ is ook als element opgenomen in het boeddhisme en wordt een centraal kenmerk van het Puranisch Hindoeïsme. En binnen wat later het hindoeïsme werd, zijn er enkele groepen die slechts in één god geloven, en dit idee is ook aanwezig in de Indiase filosofie.