Reactie op ‘Mijn Broeders Hoeder’ van Gert Schout

Reactie op ‘Mijn Broeders Hoeder’ van Gert Schout

Productgroep Waardenwerk 2026 104
Jaap Wijkstra | 2026
3,90
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

In dit artikel bespreek ik enkele vragen die bij me opkwamen toen ik het boek ‘Mijn broeders hoeder’ van Gert Schout las. Een boek dat me aanspreekt en me tot verder nadenken aanzet.
‘Mijn broeders hoeder’ is een inspirerende zoektocht naar een andere, meer relationele psychiatrie. Schout noemt dat een gezelschappelijke psychiatrie. Een aansprekend begrip. Hij beschrijft de huidige psychiatrie in twee ideaaltypische uitvergrotingen van de werkelijkheid aan de hand van twee gebouwen. In het eerste gebouw is de relatie hulpvragerhulpverlener meer verticaal en in het tweede gebouw meer horizontaal. Je zou ook kunnen zeggen: in het eerste gebouw gaat men uit van complementariteit (Benjamin, 2018: ‘Only one can live’) en in het tweede gebouw van intersubjectiviteit (Benjamin: ‘Beyond only one can live’).

Het eerste gebouw is geworteld in onze neoliberale datamaatschappij waarin de relaties interactioneel zijn geworden (voor wat hoort wat, ‘zero-sum’, et cetera). Het tweede gebouw wil een voedingsbodem zijn voor gezamenlijkheid en wil daarmee het handelingsvermogen vergroten van zowel degene die is vastgelopen als van degene die gezelschappelijkheid biedt. Het handelingsvermogen is het vermogen om enerzijds invloed uit te oefenen op je relationele omgeving (actorschap) en anderzijds je door die relationele omgeving te laten veranderen. In het eerste gebouw heerst het ziektemodel en in het tweede gebouw de relatie en de gezelschappelijkheid. In het eerste gebouw moet iemand genezen, in het tweede gebouw wordt iemand geaccepteerd zoals hij is. Ik herken als psychiater zeer de beschrijving van Schout van het eerste gebouw, waarin het relationele het onderspit delft. Dat wil zeggen het relationele dat ik in navolging van Benjamin (2018) intersubjectief noem: vanuit voldoende autonomie de ander als een autonome ander her- en erkennen in tegenstelling tot het complementaire, waarin de ander een rol moet vervullen ten behoeve van het in stand houden van het zelf. 
Schout gaat de complexiteit van zijn onderwerp niet uit de weg. Integendeel, hij probeert de ontwikkelingen binnen de psychiatrie op diverse niveaus te duiden: individueel, sociaal, filosofisch, politiek. Herkenbaar voor mij is het geworstel met deze complexiteit terwijl je tegelijkertijd door de bomen toch het bos wilt blijven zien. In het boek laat hij zich zien als een persoon en professional, op zoek naar het relationele.

Hij verbindt dit met zijn eigen persoonlijke geschiedenis. ‘Mijn broeders hoeder’ is daarmee een goed voorbeeld van de ‘relational turn’. Een psychologische, sociale en filosofische wending naar het relationele die vooral de laatste 100 jaar als ontwikkeling steeds duidelijker wordt, maar al vanaf het begin van de menselijke geschiedenis gaande is (Wijkstra 2022, 2025), soms in progressieve en soms in regressieve zin, maar over langere tijd gezien progressief richting meer innerlijke vrijheid (innerlijke democratie) en sociale vrijheid (sociale democratie).
Gert Schout wenst, zoals ik het begrijp, deze relational turn in de psychiatrie omdat hij er van overtuigd is dat dit mensen weer betrekt bij de maatschappij en meer handelingsvermogen mogelijk maakt. Het ontstaan van een gezelschappelijke psychiatrie is geen toeval. Het past in een veel breder proces dat al lang gaande is. Dat zou hoop kunnen geven: ooit zal het er waarschijnlijk van komen.