Radicaal humanisme

Radicaal humanisme

Productgroep Waardenwerk 2017-7071
3,90
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

Ter gelegenheid van mijn afscheid als hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek richt ik mij in deze rede op de belangrijkste inhoudelijke inspiratiebron van deze jonge universiteit: het humanisme. Zoals de titel van mijn rede aangeeft, wil ik een pleidooi houden voor een radicalisering van het humanisme.
In het licht van de grote vragen waar wij voor staan, zal ik u een nieuwe invulling voorleggen van humaniteit en menselijkheid, waarin humaniteit uitgebreid wordt voorbij de grenzen van de menselijke soort.
Het Humanistisch Verbond omschrijft op haar website het ‘bevorderen van menselijke waardigheid ofwel humaniteit’ als het hoogste ideaal van een eigentijds humanisme. Humanisme heeft daarmee zowel een ethische als een morele inzet.

In onze tijd dringt bij een groeiend aantal mensen het besef door dat een goed leven voor mensen tot stand gebracht wordt ten koste van kansen op een goed leven voor heel veel andere soorten. Niet alleen de bomen, vissen en insecten die wij het leven steeds zuurder maken, maar ook de koeien, varkens en kippen die wij industrieel vetmesten, opsluiten en consumeren. Voor humanisten komt daar de pijnlijke constatering bij dat het moderne humanisme een centrale rol heeft gespeeld in de culturele legitimering van de menselijke onverschilligheid voor het goede leven van de meeste andere levensvormen op deze planeet. Er zijn weliswaar belangrijke tegenstemmen in eigen kring, in ons land ondermeer Wouter Achterberg, Hans Achterhuis, Henk Manschot, Michiel Korthals en Fernando Suarez-Müller.1 Maar zij roeien tegen de hoofdstroom van het moderne humanisme in. Dat speelt nog steeds een centrale rol in de legitimering van een verticale verhouding tussen mensen en andere levensvormen. Ik denk dat die verticale verhouding onhoudbaar is en ik denk dat de expliciete 

In naam van het humanisme zelf dan, kunnen wij ons hier laten leiden door het verzet tegen verticale sociale verhoudingen en alle daarmee verbonden vormen van ongelijkheid en door het streven naar meer horizontale relaties die het humanisme van het begin af aan kenmerken. Zowel binnen tradities als Ubuntu, het Taoisme en het Boeddhisme als in het vroege humanisme in de Griekse stadstaten, zijn belangrijke wegwijzers te vinden die in de richting wijzen van meer horizontale verhoudingen tussen mensen, in het teken van de waardigheid die alle mensen als mens toekomt. Tegenover het gezag van de goden en de machtsaanspraken van de aristocratie, plaatsen de Griekse filosofen het vermogen van alle burgers om zelfstandig na te denken en in voortgaande dialoog de inhoud van een goed leven te bepalen en op grond daarvan bij te dragen aan het welvaren van de polis. Deze horizontaliserende inzet wordt in de loop van de ontwikkeling van het humanisme steeds verder uitgebreid. Eerst in de gedaante van het kosmopolitisme, waarin de polis niet langer als de hoogste autoriteit erkend wordt en aan alle mensen een eigen waardigheid wordt toegekend. Vervolgens in de gedaante van politieke rechten voor alle burgers en de uitbreiding van de rechtvaardige verdeling van hulpbronnen voor een goed leven naar alle mensen op aarde. En tenslotte in de gedaante van universele mensenrechten, zowel in economisch als in sociaal en cultureel opzicht. Ik beschouw de formule van Ricoeur als een geslaagde samenballing van deze voortgaande horizontalisering.

De zorgzame wederkerigheid op het niveau van face-to-face relaties, waarvoor de verhouding tussen goede vrienden vanaf Aristoteles het paradigmatische voorbeeld biedt, wordt door Ricoeur als de voedingsbodem gezien voor de betrokkenheid op een rechtvaardige, horizontale inrichting van sociaaleconomische verhoudingen, waarbinnen alle mensen toegang hebben tot de noodzakelijke hulpbronnen voor een goed leven. De persoonlijke bestaansethiek, in de vorm van reflexief bewerkte ervaringen met de inhoud van een goed en zinvol leven, vormt de voedingsbodem voor de morele betrokkenheid op het welvaren van anderen en het werken aan rechtvaardige instituties in het verlengde daarvan.