Geveld door een buikgriepje, maakte ik de aan huis gekluisterde tijd nuttig door mijn emailaccounts op te schonen. De honderden e-mails die ik destijds verstuurde aan medewerkers van het verzorgingshuis waar mijn moeder verbleef, trokken aan mij voorbij. Ik voelde weer de gevoelens van diepe frustratie, machteloosheid, boosheid en verdriet die kenmerkend waren voor die tijd. En schaamte, want dacht ik nou écht dat het ging werken als ik het zorgpersoneel dagelijks bestookte met mijn commentaar op niet geleverde diensten of niet nagekomen afspraken…? Nee, maar ik moest toch íets? Het ging om mijn móeder…!
In dit artikel deel ik mijn ervaringen met het zorgsysteem vanuit de rol van mantelzorger van mijn moeder, die jarenlang in (twee) verzorgingshuizen en tenslotte kortstondig in een verpleeghuis verbleef. Vervolgens plaats ik deze in een grotere context van wederzijds afhankelijke en in elkaar grijpende systemen (zorgteam, organisatie, familie) met bijbehorende dynamieken, en beschrijf ik hoe een en ander zich manifesteert in de relatie tussen cliënt, mantelzorger en zorgmedewerker. Dit baseer ik op mijn ervaring en kennis als organisatiepsycholoog, werkzaam vanuit een systeem-psychodynamisch perspectief. Dit perspectief probeert te begrijpen hoe (veelal destructieve) onderstromen en groepsdynamieken ontstaan in sociale systemen ten gevolge van de complexiteit van de taak met de bedoeling om deze bewust en hanteerbaar te maken (Vansina & Vansina-Cobbaert, 2008; Schruijer, 2013a).
Ik besluit mijn betoog met een aantal suggesties hoe, ondanks ongunstige omstandigheden en de zware, verantwoordelijke taak die ouderenzorg inhoudt, wonen en werken in precaire situaties, waarachtiger en gezonder (voor alle betrokkenen) kan worden.
Ervaringen als mantelzorger
Ik was blij dat ik voor mijn op leeftijd zijnde moeder met cognitieve klachten een verzorgingshuis kon vinden – eerst een tijdelijke plek en na een krap jaar verhuisde ze naar de locatie van onze voorkeur. Nietsvermoedend of eigenlijk behoorlijk naïef, dacht ik dat ik nu gezellig langs kon komen om koffie te drinken, hetgeen me trouwens ook verzekerd werd door de verantwoordelijke verzorgenden: ‘Uw rol is gewoon lekker koffie komen drinken. Wij zorgen voor de rest.’ Hoe anders bleek de realiteit zich te ontvouwen.
Het begon ermee dat ik ontdekte, pas na maanden, dat de tanden van mijn moeder niet werden gepoetst. Ik trok aan de bel, in de verwachting dat het vanaf dat moment zou zijn opgelost. Nee dus. Het bleek vele gesprekken te vergen opdat dagelijkse gebitsverzorging in het zorgproces werd verankerd, hetgeen trouwens geen garantie bleek voor de daadwerkelijke uitvoering ervan. Een uitzonderlijke onregelmatigheid, dacht ik. Na een jaar verhuisde mijn moeder naar het tweede verzorgingshuis. Dit huis stond goed te boek.
Maar de eerste barstjes openbaarden zich alras. Hoe meer ik me in de geboden zorg verdiepte, hoe groter de barsten werden, en des te meer ik me met de zorg ging bemoeien. Een greep uit de vele gebeurtenissen: mijn moeder werd niet opgehaald voor het warme middageten, haar besmeurde lakens werden niet verschoond, haar nagels niet (nooit) geknipt, haar tanden onregelmatig gepoetst, ze verbrandde in de zomerzon, haar medicatie werd vergeten, de verkeerde medicatie werd gegeven en voorgeschreven medicatie niet tijdig stopgezet, de badkamervloer en WC waren vuil, beperkt houdbare producten werden niet teruggezet in de koelkast, een tochtend raam bleef ongerepareerd (maandenlang, in de winter), verzuimd werd het pols- of halsalarm om te hangen, steunkousen werden niet aangetrokken.