Ik wil mijn bijdrage graag beginnen met een opmerking over het boek van Jaap Wijkstra, Wij en Zij. De ander als het kwaad. Dat is een boeiend en belangrijk boek. Alleen al de titel van zijn boek bevat een wezenlijke boodschap: laten we onze aandacht niet zozeer richten op het mooie en goede in mensen en hoe dat kan overwinnen in het licht van wat er misgaat, maar laten we starten bij de krachtige neiging van mensen om tegenstellingen te creëren, conflicten te verdiepen en anderen tot vijand te maken. Zoals Wijkstra laat zien, ontstaat daarmee niet alleen een realistischer beeld van wat mensen doen en laten. Bovendien komen dan nieuwe aanknopingspunten in beeld om beter met die conflictualiteit om te gaan, zowel op het niveau van persoonlijke relaties als op het niveau van democratie en rechtstaat.
In aansluiting bij Wijkstra’s analyse, wil ik mij richten op het belang van de relationele wending voor een herijking van het humanisme. Ik heb lange tijd een ambivalente verhouding gehad tot het humanisme. In de eerste plaats omdat dat op cultureel niveau zo’n duidelijk aandeel heeft gehad in de grote problemen waar moderne maatschappijen mee worstelen, met name onze verstoorde relatie met andere bioten. Maar ook omdat de meeste humanisten zo’n moeite hebben om dat onder ogen te zien en daar consequenties uit te trekken.
Die ambivalente gevoelens zijn de laatste jaren tot mijn eigen verrassing op de achtergrond geraakt. Enerzijds doordat ik in het biotische perspectief een remedie gevonden denk te hebben voor het antropocentrisme van het moderne humanisme.1 Anderzijds omdat ik inmiddels de noodzaak voel om ‘te gaan staan’ voor het humanisme, ondanks de problemen die inherent verbonden zijn met alle ’ismes’ inclusief het humanisme, in het bijzonder de neiging om het eigen gelijk te verabsoluteren. De noodzaak die ik inmiddels in mijn ogen voel om voor het humanisme op te komen, komt enerzijds voort uit het oprukkende populisme en racisme en de daarmee verbonden ondermijning van democratische instituties. Anderzijds komt die voort uit al het geweld en het lijden dat momenteel onder aanvoering van narcistische leiders en mateloze kapitaalbezitters in de wereld wordt gebracht, zowel jegens mensen als jegens andere levensvormen. Die twee ontwikkelingen hangen direct met elkaar samen en versterken elkaar.
In het licht van deze verontrustende ontwikkelingen is het in mijn ogen belangrijk en nodig om het over humanisme en over humanisering te hebben en om daar nieuw leven in te blazen. Humanisme draait voor mij om de zoektocht naar antwoorden op centrale vragen van het menselijk bestaan, vanuit het besef dat definitieve antwoorden daarop zowel onmogelijk als onwenselijk zijn. Het gaat hier in de kern om drie, onderling verbonden vragen: existentiële en ethische vragen rond de inhoud van een zinvol en vervuld leven; morele vragen rond recht doen aan andere mensen; en tenslotte om politieke vragen rond de vormgeving van rechtvaardige instituties, een democratische rechtstaat en een eerlijke verdeling van essentiële economische hulpbronnen. In het humanisme wordt van oudsher afgezien van een definitief en bindend antwoord op deze vragen. In plaats daarvan worden die vragen steeds opnieuw geformuleerd en beantwoord in relatie tot de noden van ieder tijdperk. Volgens de Franse filosoof Gilbert Simondon moet het humanisme in ieder tijdperk opnieuw ontdekt worden, in antwoord op de belangrijkste bedreiging van humaniteit in dat tijdperk.2 In mijn ogen vormt het versmallen en verarmen van de relaties tussen mensen onderling en tussen mensen en andere levensvormen de belangrijkste bedreiging van humaniteit in onze tijd. Ik ga er echter vanuit dat het humanisme niet alleen een levensbeschouwing is, maar evenzeer een netwerk van praktijken: humaniseren is een werkwoord. Humanisering vraagt zowel om een ethische, morele en politieke visie, als om werk om die visie in de praktijk zo goed en zo kwaad als dat gaat waar te maken: humanisering vraagt om waardenwerk. Ik kom daar aan het slot op terug.