Compostmodernisme in het voedselbos

Compostmodernisme in het voedselbos

Productgroep Waardenwerk 2026 105
€ 3,90
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

In de afgelopen jaren verrichtte Elize de Mul filosofisch veldonderzoek naar mensnatuurrelaties in ‘romantische’ (niet primair op productie gerichte) voedselbossen. Haar onderzoek bestond daarnaast uit een autoetnografisch onderzoek: ze volgde twee opleidingen tot voedselbosdesigner en legde een eigen stadsvoedselbosje aan in haar tuin. In deze experimentele ruimtes, waarin alternatieve vormen van omgang met ‘de natuur’ zowel fysiek als denkbeeldig vorm kunnen krijgen, herkent zij tekens van een ontluikend ‘compostmodernisme’. In wat volgt dwalen we samen rondom het thema van compost als alternatief wereld- en mensbeeld en onderzoeken we of het zo ook handelingsperspectief kan bieden in een snel veranderende wereld.

Welkom! Ga even zitten op die boomstam daar 
Heb je je goede wandelschoenen al aan? We gaan een eind lopen. Op het programma staat een verkenning van ‘compost’ als grondmetafoor voor onze tijd. Zweverig? Nee, dat is het juist niet! Compost kan ons als ‘aardend’ grondbegrip helpen als levend wezen te landen tussen al die andere levende en niet-levende dingen met wie we samen landschappen creëren (Kunneman 2025, 106). Die wandelschoenen waren voor mij eerst ook even wennen hoor, vergroeid met boekenkast en scherm. Al begrijp ik van veel jonge natuurwetenschappers in de dop dat ze zelfs bij hen niet op de leermiddelenlijst staan. Dat is schrikken, want we hebben ze toch echt nodig als we willen leren landen. Waren we daar nu maar eerder van doordrongen geweest! Dat ik vandaag ook denkfiguren in mijn rugzak meedraag, is de aard van dit geesteswetenschappelijke beestje. Ik verzet daarmee disciplinair-specifiek nuttig werk. Net als al die andere eco-denkers in de humanities/humusities die afgelopen eeuw steeds dringender hebben betoogd dat we de culturele kant van de polycrisis waar we voor staan niet kunnen negeren. Wat wij mensdieren doen in relatie tot het levende landschap waar we deel van
uitmaken, de wijze waarop wij de wereld mede-vormen, hangt samen met de wijzen waarop we over haar denken en de rol die we onszelf daarbij toebedelen (Bateson 1987). Maar hoe kunnen we, om denkers als Anna Lowenhaupt Tsing en Donna Haraway te parafraseren, beter leren met elkaar te leven en sterven op een beschadigde planeet (Haraway 2016; Kirksey, Shapiro, & Brodine 2013; Tsing, Swanson, Gan, & Bubandt 2017; Tsing 2014, 2015)?

Het afgelopen decennium heb ik mij verdiept in wat ik bij gebrek aan een beter woord even ‘natuur’ noem; al die krioelende, etende, groeiende, poepende, stervende, evoluerende wezens – mens incluis – en hun fysieke leefomgeving. Ik heb gedwaald door natuurgebieden, bossen, tuinen, voedselbossen en ‘oerwouden’. Ik heb er gemulcht, gesnoeid, gegeten, geleerd, geplant en geslapen. Ik ben natgeregend en gegeten en doorboord door teken, bloedzuigers, oogstmijten, plantenstekels en muggen. En gaandeweg merkte ik: al die wezens bevolken en vormen ook mijn denken steeds meer. Vandaag verkennen we zo’n ingeving die werd gevoed door zwarte nagelranden en kauwende, onzichtbare beestjes: het idee dat ‘compost’ een passend denkfiguur voor onze tijd is. Wat ik ‘compostmodernisme’ noem is als denk- en maakbeweging al in toenemende mate zichtbaar in de westerse wereld. Je zou het de eerste tekenen van een verschuiving van wereldbeeld(en) kunnen noemen. Omdat compostmodernisme een manier van denken, kijken en doen zal blijken die stevig geworteld is in de broeierige levende landschappen waarin zij beweegt en waarop zij reflecteert, nodig ik je allereerst uit in een bos in de buurt van Ede-Wageningen. 

De noodkreet van de lariks
Op een zonnige dag in april 2023 wroet ik in de bodem van Het Voedselrijk, een voedselbos- in-wording in een al bestaand naaldbomenbos. Om mij heen doen elf andere deelnemers van de voedselbosontwerpcursus van Natuur en Milieu Gelderland hetzelfde. In onze eerste les van afgelopen maand maakten we al kennis met ‘voedselbossen’. Deze landschapsvorm maakt de moderne grenzen tussen natuur en (agri)cultuur poreus: het is bos, landbouw en parktuin inéén. Het combineren van land- en bosbouwsystemen gaat in tropische klimaatgebieden ver terug, maar is in ons gematigde klimaat een recenter fenomeen, gevoed door zorgen over bodemuitputting en biodiversiteitsverlies. De ‘bostuin’ van de Britse boer Robert Hart en zijn voedselbosboeken in de jaren zeventig markeerden de snelle opkomst van gematigde voedselbossen. 
1 In Nederland kreeg de beweging na 2010 echt momentum dankzij pioniersprojecten als Wouter van Ecks voedselbos Ketelbroek. Inmiddels telt Nederland honderden kleine en grote voedselbosprojecten. Voedselbossen zijn polycultureel: bomen, struiken, kruiden, knollen, kruipers en klimmers delen hetzelfde landschap. Anders dan traditionele vormen van landbouw die ieder jaar opnieuw een kale akker opstarten, bestaan voedselbossen uit blijvende en meerjarige soorten. Daarmee zijn ze een van de verschijningsvormen van ‘permacultuur’: een designfilosofie die uitgaat van het zelfvoorzienende karakter van natuurlijke systemen en daarbij kenmerken van natuurlijke ecosystemen inzet om ‘samen te werken’ met de natuur.